Hoge Raad stelt prejudiciële vragen over linken naar Playboy foto’s Britt Dekker

Op 3 april 2015 heeft de Hoge Raad arrest gewezen in de zaak GeenStijl tegen Sanoma, Playboy en Britt Dekker. Naast een beschouwing over het citaatrecht en de uitingsvrijheid vs. het auteursrecht heeft de Hoge Raad een aantal prejudiciële vragen geformuleerd.

Centraal in dit arrest stond de vraag of het plaatsen van links door GeenStijl naar uitgelekte naaktfoto’s van Britt Dekker voor de Playboy een auteursrechtinbreuk opleverde. De rechtbank was eerder van mening dat dit het geval was. Het hof oordeelde daarentegen dat er geen sprake was van auteursrechtinbreuk. De links waren volgens het hof wel onrechtmatig.

Zowel GeenStijl als Sanoma hebben beroep ingesteld tegen verschillende onderdelen van de uitspraak van het hof.

Link naar foto’s auteursrechtinbreuk?

Sanoma voert onder verwijzing naar de recente uitspraak van het Hof van Justitie in het Svensson arrest aan dat GeenStijl door het plaatsen van de links de foto’s ter beschikking heeft gesteld aan een nieuw publiek en de beperkingsmaatregelen die Sanoma had getroffen, waaronder het plaatsen van de foto’s in een digitale kluis, heeft omzeild.

De Hoge Raad herhaalt de belangrijkste overwegingen uit het Svensson arrest en zegt daarover: “Wat betreft het vereiste van een nieuw publiek is enerzijds van belang dat daaronder volgens het HvJEU moet worden verstaan een publiek dat door de houders van het auteursrecht niet in aanmerking werd genomen toen zij toestemming verleenden voor de oorspronkelijke mededeling aan het publiek (rov. 24 en 31). Anderzijds heeft het HvJEU het antwoord op de gestelde vraag aldus geformuleerd dat het erom gaat of het werk waarnaar wordt gelinkt op een andere website vrij beschikbaar is, zonder te preciseren of noodzakelijk is dat de rechthebbende toestemming heeft gegeven voor deze eerdere beschikbaarstelling. In dat verband is van belang dat de zaak Svensson zag op werken die eerder met toestemming van de rechthebbenden op een andere website waren gepubliceerd, zodat de vraag of sprake is van nieuw publiek wanneer die toestemming ontbreekt, niet aan de orde was.”

Vervolgens bespreekt de Hoge Raad de uitspraak van het Hof van Justitie in het BestWater arrest waarna zij stelt dat: “Hoewel het in deze zaak ging om een zonder toestemming van de rechthebbende openbaar gemaakt werk, kan uit het antwoord op de gestelde vraag niet worden afgeleid dat (ook) geen sprake kan zijn van een mededeling aan het publiek indien de link het publiek doorgeleidt naar een website waarop het werk zonder toestemming van de rechthebbende is geplaatst. Daarop had de vraag ook geen betrekking. Bovendien refereert het Hof aan toestemming van de rechthebbende waar het in punt 16 overweegt dat geen sprake is van een nieuw publiek indien het werk met toestemming van de rechthebbende op een andere website is geplaatst. Daaruit kan evenwel evenmin met voldoende zekerheid worden afgeleid dat bij gebreke van zodanige toestemming wél sprake is van een mededeling aan het publiek.”

Op basis van deze aangehaalde uitspraken concludeert de Hoge Raad dat; “de vraag of sprake is van een mededeling aan het publiek indien het werk weliswaar eerder is openbaar gemaakt, maar zonder toestemming van de rechthebbende, niet zonder redelijke twijfel kan worden beantwoord.”

De Hoge Raad besluit de volgende prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen:

1.a Is sprake van een ‘mededeling aan het publiek’ in de zin van art. 3 lid 1 van Richtlijn 2001/29 wanneer een ander dan de auteursrechthebbende door middel van een hyperlink op een door hem beheerde website verwijst naar een door een derde beheerde, voor het algemene internetpubliek toegankelijke website, waarop het werk zonder toestemming van de rechthebbende beschikbaar is gesteld?

1.b Maakt het daarbij verschil of het werk ook anderszins niet eerder met toestemming van de rechthebbende aan het publiek is medegedeeld?

1.c Is van belang of de ‘hyperlinker’ op de hoogte is of behoort te zijn van het ontbreken van toestemming van de rechthebbende voor de plaatsing van het werk op de bij 1.a genoemde website van de derde en, in voorkomend geval, van de omstandigheid dat het werk ook anderszins niet eerder met toestemming van de rechthebbende aan het publiek is medegedeeld?

2.a Indien het antwoord op vraag 1.a ontkennend luidt: is in dat geval wél sprake van een mededeling aan het publiek, of kan daarvan sprake zijn, indien de website waarnaar de hyperlink verwijst, en daarmee het werk, voor het algemene internetpubliek weliswaar vindbaar is, maar niet eenvoudig, zodat het plaatsen van de hyperlink het vinden van het werk in hoge mate faciliteert?

2.b Is bij de beantwoording van vraag 2.a van belang of de ‘hyperlinker’ op de hoogte is of behoort te zijn van de omstandigheid dat de website waarnaar de hyperlink verwijst voor het algemene internetpubliek niet eenvoudig vindbaar is?

3. Zijn er andere omstandigheden waarmee rekening moet worden gehouden bij beantwoording van de vraag of sprake is van een mededeling aan het publiek indien door middel van een hyperlink toegang wordt verschaft tot een werk dat niet eerder met toestemming van de rechthebbende aan het publiek is medegedeeld?

Uitingsvrijheid en auteursrecht gelijkwaardige grondrechten

Naast de prejudiciële vragen bevat het arrest nog een aantal interessante beschouwingen over de uitingsvrijheid vs. het auteursrecht en het citaatrecht.

De Hoge Raad maakt korte metten met de eerdere conclusie van het hof dat slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden aanvaard dat de vrijheid van meningsuiting een inbreuk op het auteursrecht rechtvaardigt. Het auteursrecht en de uitingsvrijheid zijn twee gelijkwaardige grondrechten. De rechter dient in een geschil waar dit aan de orde is steeds te onderzoeken, of in de omstandigheden van het geval, gelet op de aard van de uiting en het beginsel van proportionaliteit, niet te zeer afbreuk wordt gedaan aan het grondrecht waarop de aangesproken partij zich beroept.

Citaatrecht

Naast de beoordeling over het plaatsen van de links heeft de Hoge Raad zich ook uitgesproken over het citaatrecht. GeenStijl had namelijk ook een uitsnede van een foto geplaatst bij haar artikelen. GeenStijl deed hiervoor een beroep op het citaatrecht. Het hof ging daar niet in mee en oordeelde dat GeenStijl met het plaatsen van de uitsnede niet had voldaan aan de eisen die het citaatrecht daaraan stelt. In cassatie klaagt GeenStijl over de beoordeling door het hof en voert ze ook aan dat het hof niet de juiste uitsnede heeft beoordeeld. De Hoge Raad stelt dat GeenStijl terecht heeft aangevoerd dat voordat het hof zou moeten toetsen of aan de voorwaarden van het citaatrecht is voldaan, eerst de vraag moet worden beantwoord of met de vermelding van een deel van het werk inbreuk zou worden gemaakt op het auteursrecht op dat werk indien niet aan die voorwaarden wordt voldaan. Daartoe is vereist dat in het overgenomen deel van het werk de auteursrechtelijk beschermde trekken van dat werk te herkennen zijn. Bij de beoordeling of dat het geval is, dient de context waarin die vermelding plaatsvindt te worden betrokken. Omdat het hof kennelijk niet de juiste uitsnede heeft beoordeeld moet na verwijzing alsnog worden beoordeeld of de juiste uitsnede wel voldoet aan de eisen die het citaatrecht stelt.

De Hoge Raad houdt iedere verdere beslissing aan en schorst het geding tot het HvJEU antwoord heeft gegeven op de prejudiciële vragen.