Supreme Court: verbod op denigrerende merken is ‘happy-talk clause’ en dus in strijd met uitingsvrijheid

Niet alles kan als merk worden ingeschreven. Hoewel dit beginsel op zichzelf begrijpelijk is, is het met het oog op de vrijheid van meningsuiting in sommige gevallen problematisch. Dit blijkt uit de op 19 juni 2017 door het US Supreme Court gewezen uitspraak, dat mogelijk grote gevolgen heeft voor het (Amerikaanse) merkenrecht. Het hof oordeelde dat de zogenoemde disparagement clause in strijd is met de vrijheid van meningsuiting, die wordt beschermd door het First Amendment van de Amerikaanse grondwet.

De zaak in kwestie, Matal v. Tam, werd aangespannen door de Aziatische-Amerikaanse dance-rockband The Slants (de spleetogen). Het Patent and Trademark Office (PTO) weigerde de inschrijving van merknaam THE SLANTS op grond van het artikel uit de Lanham Act, de Amerikaanse merkenwet, dat bepaalt dat een inschrijving wordt geweigerd wanneer het “(a) Consists of (…) matter which may disparage or falsely suggest a connection with persons, living or dead, institutions, beliefs, or national symbols, or bring them into contempt, or disrepute.” Het PTO overwoog dat het woord slants, dat ook wel wordt gebruikt in de betekenis van spleetogen en dus verwijst naar mensen met Aziatische afkomst, kleinerend/denigrerend (disparaging) is. De band zelf dacht hier anders over. Bandlid Simon Tam zei hier volgens radio-omroep NPR het volgende over: “We grew up and the notion of having slanted eyes was always considered a negative thing,” he said. “Kids would pull their eyes back in a slant-eyed gesture to make fun of us … I wanted to change it to something that was powerful, something that was considered beautiful or a point of pride instead.”

De band liet het er niet bij zitten en trok uiteindelijk bij het Supreme Court aan het langste eind. Het hof vond dat het bewuste artikel (“the disparagement clause”) in strijd is met de door de First Amendment beschermde vrijheid van meningsuiting. Het hof noemt het een ‘happy-talk clause’ , die zijn doel voorbijschiet, verder gaat dan nodig is en te breed is. Het hof overweegt als volgt: “21. (…) A simple answer to this argument is that the disparagement clause is not “narrowly drawn” to drive out trademarks that support invidious discrimination. The clause reaches any trademark that disparages any person, group, or institution. It applies to trademarks like the following: “Down with racists,” “Down with sexists,” “Down with homophobes.” It is not an anti-discrimination clause; it is a happy-talk clause. In this way, it goes much further than is necessary to serve the interest asserted. The clause is far too broad in other ways as well. The clause protects every person living or dead as well as every institution. Is it conceivable that commerce would be disrupted by a trademark saying: “James Buchanan was a disastrous president” or “Slavery is an evil institution”? There is also a deeper problem with the argument that commercial speech may be cleansed of any expression likely to cause offense. The commercial market is well stocked with merchandise that disparages prominent figures and groups, and the line between commercial and non-commercial speech is not always clear, as this case illustrates. If affixing the commercial label permits the suppression of any speech that may lead to political or social “volatility,” free speech would be endangered.”

Zoals gezegd heeft deze uitspraak mogelijk grote gevolgen voor het Amerikaanse merkenrecht. Vergelijkbaar met de zaak van The Slants is bijvoorbeeld de eveneens al jaren spelende zaak van footballteam Washington Redskins. Mogelijk zal ook hun verzoek tot inschrijving als merk nu toch gehonoreerd worden.

Ook in Nederland kunnen merkaanvragen in bepaalde gevallen worden geweigerd. Het Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (BVIE) bepaalt dat dat onder andere mogelijk is wanneer een inschrijving in strijd is met de openbare orde of goede zeden (artikel 2.4 onder a). Gedacht kan worden aan een merk dat racistisch, aanstootgevend of godslasterend is. In een dergelijk geval wordt een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting gerechtvaardigd geacht. Toch zal dit niet snel voorkomen, omdat de bepaling restrictief wordt uitgelegd. Een (zeldzaam) voorbeeld van een (beeld)merk dat is geweigerd is een logo van een kabouter die, met op zijn arm een swastika, de Hitlergroet brengt.

| Print Print | MR 21337