Buma/Stemra moet lage Spotify tarieven ook toepassen bij anderen

Een opmerkelijke uitspraak over Buma/Stemra, die illustreert dat de tarieven die de rechtenorganisatie in rekening brengt, niet altijd eerlijk zijn.

Een ondernemer die geen zin heeft om een flink bedrag neer te leggen voor het afspelen van muziek in zijn bedrijfsruimte, zou op het idee kunnen komen daarvoor gebruik te maken van zijn persoonlijke Spotify-account. Buma/Stemra treedt hier niet tegen op. Een uitkomst die veel ondernemers waarschijnlijk als muziek in de oren klinkt. Maar aanbieders van (achtergrond)muziek die zich speciaal richten op zakelijke gebruikers zijn hier niet blij mee. De licentievergoeding die Buma/Stemra vraagt van muziekdistributiebedrijven gericht op de zakelijke markt, is namelijk aanzienlijk hoger dan de vergoeding die wordt gevraagd van streamingdiensten voor consumenten. Daar komt nog bij dat een consumentenabonnement bij bijvoorbeeld Spotify veel goedkoper is dan een zakelijk abonnement bij een andere aanbieder.

De feiten van de onderliggende zaak zijn als volgt. Buma/Stemra heeft een overeenkomst met verschillende aanbieders van streamingdiensten voor privé muziekgebruik, waaronder Spotify en YouTube. Deze diensten mogen niet commercieel worden gebruikt door zakelijke partijen in bijvoorbeeld winkels, horecagelegenheden of sportscholen. Spotify heeft dit ook nadrukkelijk opgenomen in haar gebruiksvoorwaarden.

ABMD (Associated Business Music Distributors) is een vereniging van bedrijven die achtergrondmuziek voor zakelijk gebruik aanbieden. Zij betalen per afnemer een licentievergoeding volgens het door Buma/Stemra bepaalde tarief. ABMD kreeg er lucht van dat in de praktijk toch veel ondernemers een consumentenabonnement van bijvoorbeeld Spotify gebruiken voor het afspelen van muziek binnen hun bedrijf. Slecht nieuws voor ABMD, dat gewoon het veel hogere Buma/Stemra tarief rekent voor haar afnemers. Bovendien betaalde Spotify een veel lagere licentievergoeding (ABMD betaalde ongeveer 7x meer) dan zijzelf.

Buma/Stemra weigert handhavend op te treden tegenover ondernemers die hun privé abonnement zakelijk gebruiken, vanwege een afweging die gericht is op een maximale opbrengst voor de rechthebbenden (kosten van handhaving zijn te hoog en handhaving zou afdoen aan maatschappelijke acceptatie). Buma/Stemra maakt daarom volgens ABMD misbruik van machtspositie en handelt onrechtmatig jegens ABMD. Volgens ABMD zou Buma/Stemra moeten optreden tegen deze zakelijke gebruikers die (in strijd met de licentievoorwaarden van de streamingsdienst) via een consumentenabonnement muziek afspelen in hun bedrijfsruimte.

ABMD vordert onder meer een verklaring voor recht dat Buma/Stemra onrechtmatig heeft gehandeld, en een gebod om zakelijke gebruikers aan te pakken die in hun bedrijf gebruik maken van een Spotify consumenten abonnement.

De rechtbank Amsterdam stelt vast dat Buma/Stemra inderdaad onrechtmatig heeft gehandeld door de leden van ABMD een ander tarief in rekening te brengen dan het bedrag dat door streamingdiensten wordt afgedragen voor gebruik dat weliswaar voor consumenten bedoeld is, maar dat in de praktijk zakelijk wordt gebruikt.

Buma/Stemra is monopolist in Nederland wat betreft het bepalen van de tarieven voor het gebruik van de rechten die zij beheert. Daarom mag van haar verwacht worden dat zij vergelijkbare gevallen gelijk behandelt. Aangezien Buma/Stemra weigert te handhaven, kan aan de huidige feitelijke ongelijkheid daarom alleen een einde worden gemaakt door in beide gevallen van zakelijk muziekgebruik dezelfde vergoeding te vragen. De rechter beveelt Buma/Stemra de tarieven gelijk te trekken en zij moet de schade van ABMD vergoeden.

Update: Buma/Stemra meent dat het vonnis “niet volledig” is weergegeven in deze post. Hier de reactie van Buma/Stemra, die wij op hun verzoek publiceren.

Auteurs: Lotte Oranje, Julia Driessen en Jens van den Brink