Anne Frank Fonds verliest zaak van Anne Frank Stichting over kopiëren en publiceren van dagboeken

Afgelopen week deed de rechtbank Amsterdam uitspraak in een zaak die het Anne Frank Fonds had aangespannen tegen de Anne Frank Stichting en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), in verband met het kopiëren en publiceren van de dagboeken van Anne Frank.

Allereerst: wie is wie? Het Anne Frank Fonds is opgericht door de vader van Anne Frank en heeft tot doel om een sociale en culturele rol te spelen in de geest van Anne Frank. Het Fonds is auteursrechthebbende op de werken van Anne Frank. De fysieke werken van Anne Frank zijn nagelaten aan het (toenmalige) Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, dat onderdeel is van de KNAW. De Anne Frank Stichting houdt het Anne Frank Huis aan de Prinsengracht in Amsterdam in stand en draagt de idealen uit die nagelaten zijn via het dagboek van Anne Frank.

Het Anne Frank Fonds had de rechter verzocht de Stichting en de KNAW te verbieden om manuscripten van de dagboeken te kopiëren en publiceren. De aanleiding hiervoor was dat het Fonds had vernomen dat de Stichting van plan was in samenwerking met de KNAW de manuscripten van de dagboeken integraal te publiceren. Het Fonds stelde zich op het standpunt dat de Stichting daarmee inbreuk zou maken op haar auteursrechten.

De Stichting was het daar niet mee eens en voerde onder meer aan dat haar bepaalde grondrechten toekomen die aan een beroep op het auteursrecht door het Fonds in de weg staan, waaronder de vrijheid van wetenschap. Het zou namelijk gaan om een onderwerp van groot historisch en maatschappelijk belang dat bijdraagt aan de bestrijding van discriminatie en revisionisme. De toegevoegde waarde van het wetenschappelijk onderzoek zou onder meer liggen in de uitvoerige analyse van Anne Frank als schrijfster.

Gelet op het voorgaande diende de rechtbank te onderzoeken of de handhaving van het auteursrecht afstuit op het door de Stichting naar voren gebrachte grondrecht op vrijheid van wetenschap. Zij komt daarbij tot de conclusie dat er weliswaar (‘in beginsel’) inbreuk is gemaakt op het auteursrecht van het Fonds, maar dat, gelet op de omstandigheden in deze zaak, die inbreuk slechts een ‘minimale impact’ heeft. Om die reden concludeert de rechtbank dat handhaving van het auteursrecht door het Fonds, afstuit op het grondrecht van de Stichting c.s. op haar vrijheid van wetenschap. Zie r.o. 4.8.3:

Uit 4.6 tot 4.7.4 volgt dat in beginsel inbreuk is gemaakt op het auteursrecht van het Fonds door het vervaardigen van een XML-TEI-bestand dat aan derden ter beschikking wordt gesteld. Beoordeeld moet dan ook worden of in de omstandigheden van dit geval toch aanleiding bestaat de vorderingen van het Fonds niet toe te wijzen omdat daarbij, gelet op het beginsel van proportionaliteit, te zeer afbreuk zou worden gedaan aan de vrijheid van het wetenschappelijk onderzoek. Hierbij zijn de volgende omstandigheden van belang.

Allereerst wordt geconstateerd dat het door de Stichting uitgebreid onderbouwde maatschappelijke belang van het onderzoek door Huijgens ING niet is weersproken door het Fonds. Voor zover het Fonds met de verwijzing naar het door hem inmiddels opgestarte onderzoek beoogd heeft te stellen dat het door de Stichting opgedragen onderzoek door Huijgens ING aan betekenis zou verliezen, wordt het daarin niet gevolgd. Juist de tussen partijen ontstane discussie omtrent de insteek van het onderzoek en de aspecten waarop de nadruk zou moeten liggen, onderstreept naar het oordeel van de rechtbank de noodzaak van onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek door meerdere partijen, waarbij ruimte moet bestaan om diverse hypotheses op validiteit te onderzoeken.

Het spreekt voor zich dat het voor gedegen tekstueel wetenschappelijk onderzoek noodzakelijk is dat de onderzoekers de beschikking moeten kunnen hebben over enkele exemplaren van de te onderzoeken teksten. Zonder deze verveelvoudigingen kan immers geen kennis worden genomen van het bronmateriaal en wordt onderzoek feitelijk onmogelijk. Het door Huijgens ING geproduceerde XML-TEI-bestand valt daar binnen. Immers, dit bestand is gecreëerd – zo heeft de Stichting c.s. onbetwist naar voren gebracht – met het uitsluitende doel om het wetenschappelijk onderzoek te kunnen uitvoeren.

Tegen deze achtergrond mag van het Fonds als eiser worden verwacht, dat het – tegenover het gemotiveerde verweer van de Stichting c.s. – op het concrete geval betrekking hebbende omstandigheden naar voren brengt die rechtvaardigen dat zijn auteursrecht niet hoeft te wijken voor de hiervoor omschreven vrijheid van wetenschap. Dat heeft het echter niet gedaan. Het Fonds heeft er slechts in algemene zin op gewezen dat het niet alles hoeft te dulden wat er met de teksten gebeurt. Voor zover het Fonds zich daarmee zeggenschap probeert toe te eigenen over welk onderzoek wel en welk onderzoek niet zou mogen plaatsvinden, is dat geen recht dat door het auteursrecht wordt beschermd.

Vast staat voorts dat de inbreuk op het auteursrecht van het Fonds waarvan bij dit onderzoek sprake is, niet verder strekt dan het ter beschikking stellen van slechts enkele verveelvoudigingen van de werken, die slechts ter beschikking staan van een beperkt aantal direct met het onderzoek belaste onderzoekers. De inbreuk op het auteursrecht heeft daarmee slechts minimale impact.

Onder deze omstandigheden concludeert de rechtbank dat handhaving van het auteursrecht door het Fonds, afstuit op het grondrecht van de Stichting c.s. op haar vrijheid van wetenschap.”

De vorderingen van het Fonds worden vervolgens afgewezen en het Fonds wordt in de proceskosten veroordeeld.

Dit is overigens niet de eerste keer dat handhaving van intellectuele eigendomsrechten moet wijken voor andere grondrechten. Zie in dat kader bijvoorbeeld de kwestie Louis Vuitton/Plesner, hier besproken op MediaReport.