Valt YouTube video onder journalistieke exceptie privacyrichtlijn?

 

Een man uit Letland heeft op het Letse nationale politiebureau zonder toestemming of medeweten van de politieagenten een video-opname gemaakt van politieagenten terwijl een verklaring wordt afgelegd en heeft de opgenomen beelden gepubliceerd op YouTube. De Privacy-commissie in Letland en twee nationale gerechtelijke instanties oordelen dat deze video Letse privacywetgeving schond.

De man, die zich een ‘burgerjournalist’ noemt, stelt uiteindelijk cassatieberoep in bij de hoogste rechterlijke instantie van Letland tegen het arrest onder aanvoering van zijn recht op vrijheid van meningsuiting. Deze instantie schorst de behandeling van de zaak en verzoekt het Hof zich uit te laten over de vragen of 1) de activiteiten die in deze zaak aan de orde zijn binnen de werkingssfeer van richtlijn 95/46, betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (“de privacyrichtlijn”) vallen en 2) of de privacyrichtlijn zo moet worden uitgelegd dat dergelijke activiteiten kunnen worden beschouwd als een verwerking van persoonsgegevens voor journalistieke doeleinden in de zin van artikel 9 van de privacyrichtlijn.

In zijn arrest van 14 februari 2019, geeft het Hof op de eerste vraag een weinig verrassend antwoord; elk gegeven dat kan worden herleid tot een persoon is een persoonsgegeven. Het opnemen en publiceren van personen in een video is dus een (geautomatiseerde) verwerking van persoonsgegevens.

Het antwoord op de tweede vraag is een stuk interessanter. Het Hof memoreert dat artikel 9 van de privacyrichtlijn tot doel heeft twee belangrijke grondrechten (het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het recht op vrijheid van meningsuiting) met elkaar te verzoenen.

Enerzijds betekent dit dat de term ‘journalistieke doeleinden’ ruim moet worden uitgelegd. Dat de man dus geen professioneel journalist is, of dat de video is geplaatst op een platform dat ook kan worden gebruikt voor andere doeleinden dan uitsluitend voor journalistieke activiteiten sluit niet uit dat de plaatsing onder de uitzondering van artikel 9 van de privacyrichtlijn valt.

Aan de andere kant moet wel vast komen te staan, zoals artikel 9 voorschrijft, dat de publicatie van de video in dit geval uitsluitend journalistieke doeleinden had. Bovendien moet worden bedacht dat de uitzondering van artikel 9 van de privacyrichtlijn alleen moet worden toegepast als dat nodig is om een evenwicht tussen de beide grondrechten te bewerkstelligen. Dat evenwicht wordt in belangrijke mate al gevormd door de jurisprudentie van het EHRM, dat zich voortdurend over de raakvlakken tussen beide grondrechten uitspreekt. Toepassing van uitzonderingen, zoals de journalistieke exceptie van de privacyrichtlijn, moet dus alleen als dat strikt noodzakelijk is.

Of de man de YouTube video uitsluitend heeft geplaatst om een misstand aan de kaak te stellen, of dat hij daarbij ook andere motieven had, is een vraag van feitelijke aard, die aan de nationale rechter is om te beantwoorden. Het Hof oordeelt in elk geval dat een uitleg van de privacyrichtlijn daaraan niet in de weg hoeft te staan.