Google Spain in Nederland III: kan moordenaar met succes eisen dat zijn moord online wordt ‘vergeten’?

Na het baanbrekende Costeja González-arrest van het HvJ EU volgden verschillende procedures in Nederland over het ‘right to be forgotten’. Dit was eveneens de inzet van een recent kort geding, aangespannen door een veroordeeld moordenaar. Na het uitzitten van zijn straf probeert hij alle verbanden tussen zijn naam en zijn daad online te wissen. Daarbij stuitte hij op tegenstand van een belangenorganisatie en de vader van zijn slachtoffer, die online over de moord publiceren.  De moordenaar start een kort geding met als inzet het verwijderen en verwijderd houden van publicaties van gedaagden die zowel zijn naam als details over zijn daad bevatten. De voorzieningenrechter oordeelt (pdf) dat de publicaties niet offline hoeven te worden gehaald.

Eiser had eerder bij Google wel success gehad. Door het doen van een ‘right to be forgotten’ verzoek had hij een aantal zoekresultaten uit Google verwijderd (verwijzend naar websites waarop zijn naam in verband met zijn daad te vinden was).

De vader van het slachtoffer van eiser was hier achter gekomen en had op de website van de Federatie Nabestaanden Geweldslachtoffers een artikel en het verzoek van eiser aan Google gepubliceerd (wat hij gevonden had op chillingeffects.org). In dit artikel werd de volledige naam van eiser gebruikt, zodat de eerdere situatie weer hersteld werd: bij het zoeken op Google naar de naam van eiser was de eerste hit de site van de Federatie.

Eiser vordert verwijdering van deze stukken van de website, en verder een gebod aan gedaagden zich “in de toekomst te onthouden van publicaties waarin persoonsgegevens van eiser zijn verwerkt”. Hij baseert zich daarbij op het Costeja Gonzalez-arrest en de Wet bescherming persoonsgegevens.

De voorzieningenrechter doet uiteindelijk de zaak volledig af via de band van de Wbp. Deze is van toepassing, zo oordeelt de voorzieningenrechter, om de volgende redenen:

“Tussen partijen is in dit kort geding discussie gevoerd omtrent de vraag of het door de Federatie plaatsen van de informatie over eiser op internet, valt onder de Wet bescherming persoonsgegevens. Die wet stelt uit oogpunt van privacybescherming van burgers eisen aan de ‘verwerking’ van persoonsgegevens; zulke ‘verwerking’ is zeer ruim gedefinieerd. De voorzieningenrechter oordeelt dat het slechts in een incidenteel geval plaatsen van een bericht als dat waar deze procedure mee begonnen is, niet onder genoemde wet valt. Maar als de motieven van gedaagden ‘breed’ worden opgevat, zeggen zij dat zij het recht hebben in algemene zin informatie te verstrekken over personen als eiser; zulke algemene informatievoorziening krijgt al snel de vorm van ‘verwerking’ van persoonsgegevens, waarmee genoemde wet wel toepasselijk wordt op deze activiteiten van gedaagden. Om die reden zal de voorzieningenrechter het door eiser bekritiseerde bekend maken van zijn antecedenten op internet, allereerst toetsen aan de Wet bescherming persoonsgegevens”

De eerste vraag is in dit kader: is de verwerking noodzakelijk? Ja, zegt de voorzieningenrechter, want gedaagden hebben een gerechtvaardigd belang bij het levend houden van wat is gebeurd. Als zij dit belang willen behartigen is het bereiken van een zo breed mogelijk publiek, bijvoorbeeld via het internet, noodzakelijk in de zin van de Wbp.

Dan is de tweede vraag: welk belang dient hier te prevaleren? De voorzieningenrechter gaat voor het belang van gedaagden en overweegt:

“De veroordeling tot een ernstig misdrijf brengt negatieve publiciteit met zich; die publiciteit is in het algemeen blijvend relevant ten aanzien van de persoon van de veroordeelde. Het recht om als dader van een ernstig misdrijf juist te worden vergeten wordt echter zwaarwegender naarmate het gebeuren verder weg ligt in de tijd en die dader zijn ‘schuld’ aan de maatschappij in het algemeen en de nabestaanden in het bijzonder verder heeft afgelost.”

In dit geval (zo oordeelt de rechter) is de moord nog maar 10 jaar geleden. Bovendien gelden er tegen eiser nog tbs-maatregelen en heeft hij geen enkel inzicht getoond in het gruwelijke karakter van zijn daden. Het belang van eiser is dus beperkt.

Aan de andere kant geldt de vrijheid van meningsuiting van gedaagde. De voorzieningenrechter oordeelt daarover het volgende:

“Als uitgangspunt in onze samenleving geldt dat grote terughoudendheid moet worden betracht bij het beperken van de mogelijkheden van een burger om zich door woorden te uiten, ook als die uiting anderen treft. Zijn gedachten en gevoelens te kennen geven aan anderen is immers wezenlijk voor het menszijn.

Het recht om zich te uiten vindt slechts bij wijze van uitzondering zijn begrenzing in de zorgvuldigheid en betamelijkheid die in het maatschappelijk verkeer jegens anderen in acht moet worden genomen.”

En van een dergelijke uitzondering is hier geen sprake. De voorzieningenrechter oordeelt in dit verband nog dat het relevant is dat gedaagden hun vrijheid van meningsuiting niet op “buitensporige” wijze gebruiken, “bijvoorbeeld door de naam van eiser uitsluitend te publiceren om hem te treffen”. De beweegredenen van gedaagden acht de voorzieningenrechter “respectabel”.

Naast de vrijheid van meningsuiting oordeelt de voorzieningenrechter daarbij nog dat ook het publiek een “groot belang [heeft] om toegang te hebben tot informatie omtrent ernstige delicten”. De vrijheid van informatie is hier dus ook in het geding.

Gezien de grote belangen van gedaagden enerzijds, en het beperkte belang van eiser anderzijds, valt de belangenafweging uit in het voordeel van gedaagden. Alle vorderingen worden afgewezen.

Het resultaat is best opmerkelijk: de rechter is in deze zaak dus akkoord met het publiceren en gedurende lange termijn gepubliceerd houden van de volledige naam van veroordeelden (in elk geval bij ernstige delicten als deze). 10 jaar is daarbij kennelijk betrekkelijk kort. Het vonnis ligt in de lijn van een eerder vonnis van de voorzieningenrechter te Amsterdam, waar eveneens werd geoordeeld dat een veroordeling voor een ernstige delict “in het algemeen blijvend relevante informatie over een persoon” is. In dat vonnis oordeelde de voorzieningenrechter verder dat het anonimiseren van namen van verdachten of veroordeelden slechts een journalistiek gebruik, maar geen “afdwingbare norm” is.

Overigens heeft het kort geding een averechts effect gehad: inmiddels hebben verschillende populaire websites bericht over deze zaak, waarbij eiser met naam en toenaam wordt genoemd (het beruchte Streisand-effect c.q. Giggs-effect).