HvJ EU in Suske en Wiske-arrest (“Deckmyn”): ruim baan voor de parodie – maar wel met snelheidslimiet

Het auteursrecht wordt beperkt door het recht om parodieën te maken. Maar wanneer is er sprake van een parodie? En zijn de vereisten voor een parodie in de hele EU hetzelfde? Deze vragen zijn gisteren beantwoord door het Hof van Justitie EU aan de hand van prejudiciële vragen die waren gesteld in het kader van een zaak over een Suske en Wiske-parodie in België. Belangrijk nieuws is daarbij dat het Hof uitmaakt dat een parodie geen verband hoeft te houden met het geparodieerde werk zelf. In haar korte en bondige arrest legt het hof een duidelijke maatstaf aan voor de voorwaarden die aan een parodie mogen worden gesteld. Het Hof legt echter ook een ‘snelheidslimiet’ aan voor parodieën.

De gewraakte parodie in deze kwestie was een bewerking van het Suske en Wiske-album “De Wilde Weldoener”. Het Vlaams Belang had een parodie gemaakt op dit album waarin de burgemeester van Gent als ‘wilde weldoener’ was afgebeeld, geld uitstrooiende over een groepje mensen die een donkere huidskleur hebben en gekleed zijn in burqa’s, jalabiya’s en tulbanden. De originele afbeelding en de parodie staan onderaan dit bericht.

De erven Vandersteen claimden inbreuk op hun auteursrecht door de publicatie van de parodie. Ze kregen in eerste aanleg gelijk. In hoger beroep stelde het Hof van Beroep te Brussel prejudiciële vragen over de interpretatie van het begrip ‘parodie’. De parodie als uitzondering op het auteursrecht vloeit namelijk (onder meer) voort uit de Auteursrechtrichtlijn (artikel 5, onder k). De vragen die het Hof van Beroep aan Luxemburg stelde waren de volgende: of a) het begrip ‘parodie’ autonoom en uniform geïnterpreteerd moet worden in de hele EU; b) of een parodie aan een viertal door het Hof van Beroep geformuleerde eisen moet voldoen; en c) of er nog andere eisen aan een parodie gesteld worden.

De eerste vraag - of het begrip ‘parodie’ autonoom geïnterpreteerd moet worden - lijkt technisch, maar is wel zeer relevant. Een autonome interpretatie houdt namelijk in dat er voor de interpretatie van een begrip niet wordt gekeken naar andere internationale of nationale wetgeving, maar alleen naar EU-wetgeving (er kunnen wel verschillende methoden van interpretatie worden gebruikt). Het Hof heeft dan de exclusieve bevoegdheid om de inhoud van een begrip als ‘parodie’ te bepalen, althans in lidstaten waar deze uitzondering op het auteursrecht is geïmplementeerd. Het Hof oordeelt dat gezien de aard van de Auteursrechtrichtlijn (EU-wetgeving zonder verwijzing naar nationaal recht) het begrip ‘parodie’ inderdaad autonoom geïnterpreteerd dient te worden.

De weg is dus vrij voor het Hof om invulling te geven aan het begrip ‘parodie’. Daarvoor kijkt het Hof uiteindelijk alleen maar naar de manier waarop ‘parodie’ in het dagelijks spraakgebruik wordt gehanteerd. Daaruit distilleert het Hof de volgende twee “essential characteristics”:

  1. To evoke an existing work while being noticeably different from it;
  2. To constitute an expression of humour or mockery.

Dit zijn dus de enige twee eisen waaraan een werk moet voldoen, wil het als een parodie aangemerkt worden. Dat betekent inderdaad in beginsel, zoals Dirk Visser het noemt, ruim baan voor de Europese parodie“. Het Hof laat zich daarna, zoals verzocht door de Belgische rechter, ook expliciet uit over de eisen die niet aan een parodie gesteld mogen worden. Het gaat daarbij in elk geval om de volgende eisen (die dus niet van toepassing zijn):

  1. The parody should display an original character of its own, other than that of displaying noticeable differences with respect to the orginal parodied work;
  2. The parody could reasonably be attributed to a person other than the author of the original work itself;
  3. The parody should relate to the original work itself;
  4. The parody should mention the source of the original work.

Met name over de derde eis was er in de praktijk nog wel eens discussie: moet een parodie betrekking hebben op het geparodieerde werk zelf (dus b.v. kritiek op, of bespotting van dit werk)? Het Hof heeft nu heel duidelijk uitgemaakt dat dit niet het geval hoeft te zijn: het geparodieerde werk mag ook gebruikt worden als de parodie geen verband houdt met het geparodieerde werk. Dat was ook in deze zaak aan de orde: het Suske en Wiske-album werd alleen gebruikt als middel om commentaar te leveren op het gedrag van de burgemeester van Gent.

Dat een werk voldoet aan de “essential characteristics” van een parodie betekent echter niet automatisch dat de parodie toelaatbaar is. De rechter dient vervolgens namelijk te kijken naar het belang van de auteursrechthebbende enerzijds en het belang van de vrijheid van meningsuiting (waaronder begrepen de vrijheid van informatie) anderzijds. Voor deze belangenafweging geeft het Hof alleen als aanwijzing dat de rechter moet kijken of zijn oordeel een “fair balance” treft tussen de verschillende rechten, waarbij “all the circumstances of the case” van belang kunnen zijn. Een weinig revolutionaire benadering.

Na deze beantwoording van de vragen van de Belgische rechter gaat het Hof nog een stapje verder (en misschien wel te ver). Het gaat namelijk min of meer ambtshalve in op de inhoud van de zaak, en meer in het bijzonder de aard van de parodie van Vlaams Belang. Het Hof vermijdt angstvallig direct te oordelen dat de parodie discriminatoir is, maar geeft wel expliciet aan dat als de nationale rechter oordeelt dat de parodie discriminatoir is, de erven Vandersteen in beginsel een legitiem belang bij een verbod hebben. Dit belang is volgens het Hof het volgende:

“Holders of rights (…) have, in principle, a legitimate interst in ensuring that the work protected by copyright is not associated with such a message”

Het Hof geeft de Belgische rechter zelfs nog wat tips waar hij de relevante bepalingen op het gebied van discriminatie in de EU-wetgeving kan vinden (Richtlijn 2000/43/EC en het Handvest). Met deze overwegingen in het achterhoofd zal de Belgische rechter makkelijk de vorderingen van de erven Vandersteen alsnog kunnen toewijzen.

De vraag is of we blij moeten zijn met deze laatste overwegingen van het Hof. Ze lijken een soort snelheidslimiet te vormen voor de parodie. Immers, er zijn genoeg situaties denkbaar waar, als de auteursrechthebbende zich niet kan vinden in de boodschap die met de parodie wordt gepropageerd, en daarvoor een basis bestaat in Europese wetgeving (b.v. het Handvest), hij kan betogen dat hij een legitiem belang heeft om de parodie te verbieden. Dit zal met name het geval zijn waar de boodschap niet politiek correct is, zoals in de Belgische zaak. De nationale rechter mag dit vervolgens van het Hof in voorkomende gevallen oplossen…

Voor meer gedachten over dit arrest verwijzen wij u graag naar de IPKat, die zoals altijd een zeer lezenswaardige eerste analyse heeft gepubliceerd.

           

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(Afbeeldingen via Mr.)