Rechter: zeer beperkt ruimte voor censuur in Nederland #BOOS

Tijdens de opnamen van een aflevering van #BOOS – waarin een student klaagde over haar huisbaas – ontstond een handgemeen waarbij presentator Tim Hofman een gebroken kaak opliep. De huisbaas wilde de uitzending tegenhouden en startte een kort geding. De rechter deed meteen na de zitting mondeling uitspraak. Inmiddels is er een schriftelijke uitwerking van het vonnis, waarin nog eens heel goed wordt uitgelegd waarom het zo moeilijk is om een publicatieverbod vooraf te krijgen.

Het gevorderde gebod en verbod komen in wezen neer op toepassing van preventieve censuur en staan daarmee op gespannen voet met artikel 10 EVRM en artikel 7, tweede lid, van de Grondwet. […] Uit [het Mosley-arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens kan] worden afgeleid dat het EHRM van belang acht dat toetsing van de eventuele onrechtmatigheid van een publicatie en/of uitzending, met het oog op het gewicht dat aan de in artikel 10 EVRM gewaarborgde vrijheden wordt toegekend, pas plaatsvindt nadat de betreffende publicatie en/of uitzending ter kennis van het publiek is gebracht. Artikel 10 EVRM staat weliswaar niet in de weg aan het opleggen van beperkingen voorafgaande aan een publicatie, maar de daaraan verbonden gevaren zijn zodanig dat deze vereisen dat de rechter daartoe pas overgaat na “the most careful scrutiny”.

In de Nederlandse jurisprudentie is invulling gegeven aan deze norm door te vereisen dat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, in die zin dat de uitzending in zodanige mate onrechtmatig is en zal leiden tot onherstelbare schade dat een uitzendingsverbod vooraf gerechtvaardigd is.

De huisbaas had gesteld dat er zonder zijn toestemming in zijn kantoor was gefilmd en dat dat al reden genoeg zou moeten zijn voor een uitzendverbod. Maar zo simpel ligt dat niet. De vraag of er mocht worden gefilmd is een andere dan de vraag of er mag worden uitgezonden, zo legt de rechter uit.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de onrechtmatigheid van de filmopname en de onrechtmatigheid van de uitzending daarvan. Eventuele onrechtmatigheid van de opname weegt weliswaar mee bij de beoordeling van de onrechtmatigheid van de uitzending, maar rechtvaardigt niet per definitie een uitzendverbod, laat staan een preventief uitzendverbod (zie Hof Amsterdam KRO en CCCP/MediaMarkt).”

Subsidiair – als de uitzending niet zou worden verboden – eiste de huisbaas dat hij en zijn medewerkers door stemvervorming en blurren onherkenbaar zouden worden gemaakt. BNNVARA had al toegezegd alle medewerkers behalve de huisbaas zelf te blurren. Herkenbaarheid van de huisbaas vindt de rechter geen probleem, omdat die zelf al een interview over het incident aan Quote had gegeven. Ook de eis de stemmen van de medewerkers en de huisbaas te vervormen wordt afgewezen.

Omdat de huisbaas en Tim Hofman twee totaal andere lezingen hadden van wat er was gebeurd, was iedereen razend nieuwsgierig naar de beelden. Dat weegt de rechter ook mee. Hij vindt dat openbaarmaking van de filmbeelden het belang dient dat het publiek zelf kan bepalen welke lezing – die van de huisbaas of die van BNNVARA – de juiste is.

Tot slot overweegt de rechter dat niet aannemelijk is geworden dat de huisbaas door de uitzending “onherstelbare schade” lijdt. Als de uitzending achteraf toch onrechtmatig blijkt te zijn, kan hij namelijk nog om verwijdering, rectificatie en/of schadevergoeding vragen. Daarom wijst hij het verbod af en mocht de uitzending doorgaan.

BNNVARA werd in deze zaak bijgestaan door Christien Wildeman en Emiel Jurjens

 

| Print Print | MR 21531