EHRM bevestigt belang boodschappersfunctie van de pers

dv-newspaperEen stripteasedanseres beschuldigt de eigenaar van de stripclub van prostitutiepraktijken. Moet je als je publiceert dan kunnen bewijzen dat de aantijgingen van de stripteasedanseres waar zijn? Moet een journalist de uitspraken van degene die hij interviewt nog checken? Moet hij nagaan of het wel feitelijk juist is wat er is gezegd? Of is het voldoende de uitspraak duidelijk toe te schrijven aan de geïnterviewde?

Zoals wel vaker het geval is met juristen zijn deze vragen niet met een simpel “ja” of “nee” te beantwoorden. Het hangt af van “de omstandigheden van het geval”. Deze twee IJslandse zaken van het Europese Hof van de Rechten voor de Mens (EHRM) scheppen wel wat meer duidelijkheid over de positie van de journalist die een interview afneemt.

De stripclubs Goldfinger en Strawberries

De eerste zaak betrof een publicatie van de journaliste Björk Eidsdóttir in het tijdschrift Vikan. Daarin deed stripteasedanseres Z. onder haar volledige naam, met portretfoto, verslag van haar ervaringen in de stripclub Goldfinger. Ze vertelde over de prostitutiepraktijken in de club, de bedreigingen en vrijheidsberoving van onwetende Oost-Europese meisjes en hoe de eigenaar Y. daarvan profiteerde.

Y. spande een procedure aan tegen zowel de journaliste als tegen Z., maar schikte tussentijds met Z. De IJslandse rechtbank veroordeelde de journaliste, omdat zij de juistheid van de ernstige beschuldigingen aan het adres van Y. niet had kunnen bewijzen.

De tweede zaak ging over een artikel van journaliste Erla Hlynsdóttir in de krant DV. Stripclubeigenaar A. had de krant gebeld om zijn verhaal te doen over een vechtpartij in zijn club Strawberries waarbij hij betrokken was. De journaliste schreef vervolgende een artikel waarin niet alleen A., maar ook zijn tegenstander B. aan het woord kwam. B. zei onder meer over A. dat hij het gerucht verspreidde dat de Litouwse maffia in zijn club zou zitten.

A. stapte naar de rechter en eiste een schadevergoeding van de journaliste; hij liet B. ongemoeid. De IJslandse rechtbank veroordeelde de journaliste, omdat de publicatie de ongefundeerde beschuldiging zou bevatten dat A. “leiding zou geven aan de Litouwse maffia”.

Oordeel IJslandse rechters onderuit

Het EHRM oordeelt vernietigend over de uitspraken van de IJslandse rechters en verwijst de veroordelingen van de journalisten naar de prullenmand. De IJslandse rechters hebben geen juiste afweging gemaakt tussen het recht op vrijheid van meningsuiting enerzijds (artikel 10 EVRM) en het recht op bescherming van de eer en goede naam anderzijds (artikel 8 EVRM).

Het EHRM neemt als vertrekpunt dat het “moet bekijken of de verzoeker te goeder trouw heeft gehandeld en de gewone journalistieke plicht een feitelijke beschuldiging te verifiëren in acht heeft genomen”. Het Hof acht voor die beoordeling de volgende omstandigheden relevant:

  • De artikelen worden geacht een bijdrage te hebben geleverd aan het aanhoudende publieke debat dat in 2007 in IJsland werd gevoerd over het aanscherpen van de regelgeving voor stripclubs of zelfs sluiting van de clubs in verband met de vele misstanden.
  • Tegen de achtergrond van dit publieke debat Y. en A. “must be considered to have inevitably and knowingly entered the public domain and lain themselves open to close scrutiny of their acts”;
  • De omstreden uitspraken zijn van de geïnterviewden Z. en B.; niet gezegd kan worden dat de journalisten onvoldoende afstand hebben gehouden;
  • Het belang van Y. en A. om hun eer en goede naam te verdedigen wordt grotendeels gewaarborgd door de mogelijkheid een rechtszaak te beginnen tegen Z. en B. (in plaats van tegen de journalisten);
  • In de eerste zaak was Y. om wederhoor gevraagd en zijn reactie was gepubliceerd. Ook had het tijdschrift Vikan eerder positieve verhalen van medewerkers van de stripclub gepubliceerd. In de tweede zaak vermeldde het artikel ook A.’s kant van het verhaal. Bovendien had A. toen hij zelf de krant belde, moeten begrijpen dat de krant ook zijn tegenstander B. aan het woord zou laten.
  • In de eerste zaak had de journaliste naast het verhaal van Z. nog verwezen naar andere (officiële) bronnen waaruit bleek dat zich misstanden voordeden in de stripclub. Er was daarom volgens het EHRM wel een feitelijke basis voor de beschuldigingen van Z.
  • In de tweede zaak oordeelt het EHRM – anders dan de IJslandse rechtbank – dat in de opmerking van B. dat A. het gerucht verspreidde dat de Litouwse maffia in zijn club zou zitten, niet de beschuldiging valt te lezen dat A. leiding zou geven aan de Litouwse maffia. Dat maakt de aantijging beduidend minder ernstig.

Boodschappersfunctie pers

Tot slot herinnert het EHRM eraan dat “verslaggeving die gebaseerd is op interviews (al dan niet bewerkt) is één van de meest belangrijke wijzen waarop de pers zijn essentiële rol als publieke waakhond kan vervullen. Bovendien, als een journalist gestraft zou worden voor zijn bijdrage in het verspreiden van uitingen van anderen in interviews dan zou de mogelijkheid voor de pers om bij te dragen aan het publieke debat grotendeels verloren gaan, wat in beginsel niet denkbaar is tenzij er bijzonder zwaarwegende redenen bestaan.”

Het EHRM bevestigt met deze uitspraken het belang van de boodschappersfunctie van de pers. Uitspraken van een geïnterviewde zijn een journalist in principe niet aan te rekenen. Wel is het verstandig om in geval van een ernstige beschuldiging door een geïnterviewde wederhoor toe te passen en de reactie van de beschuldigde te publiceren.