Vorderingen Noorse broeders tegen NRC ook in hoger beroep afgewezen

Op 11 mei 2017 publiceerde NRC Handelsblad een artikel waarin stond dat de Rabobank haar relatie met de Noorse broeders, de christelijke geloofsgemeenschap CGN, wil verbreken. De kop van dit artikel luidde: ‘Rabo stopt met Noorse broeders’. CGN was het niet eens met dit artikel en eiste in een kort geding een rectificatie. CGN is van mening dat de bank de relatie helemaal niet heeft beëindigd en dat NRC hierover foutief heeft bericht. In juli 2017 oordeelde de voorzieningenrechter dat de publicatie van NRC rechtmatig was, omdat de NRC voldoende aanwijzingen had om ervan uit te gaan dat de Rabobank de relatie met de Noorse broeders wilde verbreken. Daarnaast heeft NRC de kern van de reactie van CGN in het artikel opgenomen, waardoor er voldoende wederhoor heeft plaatsgevonden. De voorzieningenrechter wees daarom alle vorderingen van CGN af.

CGN ging in hoger beroep. Het Hof Den Haag deed op 4 juni 2019 uitspraak en geeft de voorzieningenrechter gelijk in het oordeel dat geen sprake is van een onrechtmatige perspublicatie. “De kop (“Rabo stopt met Noorse broeders “) en de eerste zin van het artikel van 11 mei 2017 (“Rabobank verbreekt haar relatie met de Noorse broeders“) kunnen de (onjuiste) indruk wekken dat destijds reeds sprake was van een voldongen feit. [...] CGN voert aan dat de gemiddelde krantenlezer (alleen) de krantenkoppen leest, maar wat daar ook van zij, de kop is niet de meetlat voor de onrechtmatigheid van het hele artikel. Een kop mag scherp worden aangezet en een vergroving van de inhoud van het bijbehorende artikel bevatten” (r.o. 15). Volgens het hof wordt de indruk die in de kop en de eerste zin wordt gewekt voldoende genuanceerd in de rest van het artikel, mede doordat de kern van de reactie van CGN ook nog in het artikel is verwerkt. Het hof vindt daarom dat een gemiddelde lezer na de lezing van het gehele artikel zal concluderen dat de Rabobank voornemens is de relatie met de Noorse Broeders te verbreken, iets wat feitelijk juist is.

Het hof voegt nog toe: “Het hof neemt hierbij in aanmerking dat al eerder kritische berichten over CGN en aan haar gelieerde entiteiten waren gepubliceerd, ook door andere media dan NRC Media, en dat het onderhavige artikel een bijdrage kon leveren aan het maatschappelijke debat.” (r.o. 16). De voorzieningenrechter heeft dus terecht geoordeeld dat de publicatie van NRC rechtmatig is.

CGN sprak niet alleen NRC aan, maar ook journalist Joep Dohmen en hoofdredacteur Peter Vandermeersch. Hierover oordeelt het hof: “Ten overvloede overweegt het hof dat de vorderingen jegens hen hoe dan ook niet toewijsbaar zouden zijn geweest. NRC c.s. heeft er terecht en onweersproken op gewezen dat alleen NRC Media kan rectificeren en verwijderen.” (r.o. 19). De hoofdredacteur en de journalist kunnen dus niet persoonlijk aansprakelijk zijn voor de perspublicatie, omdat zij niet zelf het artikel kunnen rectificeren en verwijderen.

NRC werd in deze zaak bijgestaan door Jens van den Brink.