EHRM in Axel Springer (2): veroordeling Bild strijdig met artikel 10 EVRM

Gerhard Schröder was bondskanselier van Duitsland tot 2005. Hij trad af omdat het Duitse parlement een door Schröder zelf georganiseerde stemming over zijn positie niet ondersteunde. Zeer kort na zijn vertrek trad hij in dienst bij een Duits-Russisch energiebedrijf. Deze samenloop van omstandigheden riep vragen op. De parlementariër Carl-Ludwig Thiele opperde in de Duitse krant Bild (van uitgever Axel Springer) dat het wel eens zou kunnen dat Schröder zelf zijn aftreden had georganiseerd om zo snel mogelijk bij het energiebedrijf in dienst te treden. Schröder vorderde een verbod op verdere publicatie van deze passage, wat tot in hoogste instantie werd toegewezen. De Duitse rechter nam Bild daarbij met name kwalijk dat in het gewraakte artikel geen verzachtende omstandigheden stonden, en dat Bild de mening van Schröder over de kwestie niet had weergegeven. Bild stapte naar het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dat in zijn recente arrest (Axel Springer t. Duitsland II) oordeelde dat de Duitse Staat met de veroordeling van Bild inbreuk heeft gemaakt op de rechten van Bild onder artikel 10 EVRM.

In zijn overwegingen geeft het EHRM ruim baan aan het politieke debat. Er is weinig ruimte voor beperking van dat debat, zeker waar als dat betrekking heeft op een politicus van het kaliber van de bondskanselier. Daarnaast – zo overweegt het EHRM – speelt de pers een essentiële rol in de samenleving door haar rol als publieke waakhond (“chien de garde”) en als boodschapper voor de meningen van derden. Met dit in het achterhoofd gaat het EHRM (onder meer) de criteria af die zij in haar Springer-arrest (I) heeft ontwikkeld:

  • Het artikel ging over een zaak van groot publiek belang;
  • Schröder was een zeer bekend politicus, zoals het EHRM het formuleert met “une notoriété très élevée” en heeft dan ook (veel) meer kritiek te dulden;
  • Het artikel ging niet over het privé-leven van Schröder, maar over zijn professioneel handelen;
  • De opmerking van Carl-Ludwig Thiele was een waardeoordeel, bovendien kan niet van Bild worden verwacht dat zij systematisch alle waardeoordelen van politici over ander politici checkt;
  • In het artikel kwamen ook andere politici (met een andere mening) aan het woord over de kwestie;
  • Het betreft hier een uiting van een politicus en er moet zeer terughoudend worden omgegaan met de beperking van de uitingsvrijheid van politici;
  • De gewraakte opmerking was een (getrouwe) weergave van een opmerking van een derde in een interview. Gezien de boodschappersfunctie van de pers moeten er “raisons particulièrement sérieuses” bestaan om het medium waarin deze opmerking is weergegeven te bestraffen;
  • Het verbod op verdere publicatie kan een chilling effect hebben op de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting.

Het EHRM heeft in het bijzonder bezwaar tegen de overweging van de Duitse rechter dat het artikel de zienswijze van Schröder, of elementen die pleiten in zijn voordeel, had moeten bevatten:

“La Cour rappelle à cet égard qu’il ne lui appartient pas, ni d’ailleurs aux juridictions internes, de se substituer à la presse dans le choix du mode de compte rendu à adopter dans un cas donné (Jersild, précité, § 31 ; Erla Hlynsdόttir c. Islande, no 43380/10, § 70, 10 juillet 2012) ou dans la décision de savoir quelles informations doivent figurer ou non dans un reportage donné.”

Hier bevestigt het EHRM haar vaste rechtspraak (zie het genoemde Jersild-arrest) dat het niet aan de rechter is om te oordelen op welke wijze een journalist had moeten berichten. Artikel 10 EVRM beschermt immers niet alleen de inhoud van de uitingen, maar ook de vorm waarin zij zijn weergegeven. In het kader van deze zaak specificeert het EHRM dit nader. Het EHRM concludeert dat de rechter niet zijn oordeel over welke informatie er wel of niet in een artikel had moeten worden opgenomen in de plaats mag stellen van het oordeel van de journalist daarover.

Het EHRM concludeert al met al dat er sprake is van een schending van artikel 10 EVRM en veroordeelt de Duitse Staat in de kosten (een kleine € 42.000).

Zie ook dit commentaar op Inforrm.