Uitzending “Kassa” over matrassenverkoper ook in hoger beroep niet onrechtmatig

Consumentenprogramma Kassa hoeft een uitzending over een matrassenbedrijf niet te rectificeren. Een uitspraak van de kantonrechter uit 2019 hierover blijft staan, zo oordeelde het hof Arnhem-Leeuwarden recent. De zaak draaide om een Kassa-uitzending uit 2015, waarin een ontevreden klant (A) van een matrassenbedrijf aan het woord kwam. A had twee matrassen  besteld en mocht zes weken proefslapen tegen een aanbetaling van 600 euro. Indien de matrassen niet zouden bevallen, zou A de aanbetaling in elk geval terug krijgen. A had echter een klacht: de matrassen werden niet geleverd en de aanbetaling werd ondanks meerdere toezeggingen niet terugbetaald.

In het item wordt de matrassenverkoper (B) over deze klacht geïnterviewd in zijn privéwoning. Hoewel B niet direct in beeld wordt gebracht, is wel de buitenkant van zijn woning zichtbaar, en worden zijn volledige voor- en achternaam en bedrijfsnaam vermeld.

Na de uitzending ontvangt Kassa tientallen soortgelijke klachten over B en zijn bedrijf, en wordt gereageerd op het online forum van Kassa. B stapt daarop naar de kantonrechter. Hij eist onder andere een verklaring voor recht dat de uitzending van het item onrechtmatig is en verwijdering van de uitzending op de website van BNNVARA (de omroep die Kassa uitzendt). Nadat de kantonrechter de vorderingen heeft afgewezen, gaat B in hoger beroep.

Bij het hof gaat het opnieuw om de vraag of BNNVARA met de uitzending onrechtmatig heeft gehandeld tegenover B. Het hof weegt daarbij het recht op uitingsvrijheid van BNNVARA en het recht op reputatie/privacy van B tegenover elkaar af.

Het Hof tekent bij deze beoordeling aan dat bij informatieve en kritische programma’s zoals Kassa de lat voor zorgvuldigheid hoger ligt. Het Hof vergt van de programmamakers “een grote mate van zorgvuldigheid“.

Daar is hier ruim aan voldaan. Het Hof constateert dat de hoofdstelling in het programma, te weten dat B niet levert en ook niet terugbetaalt, voldoende steun in de feiten geniet. B wijst dan nog op een aantal andere punten die volgens hem onjuist zijn in de uitzending, maar het Hof gaat ook daar niet in mee. Wel oordeelt het Hof dat er een enkel punt niet precies juist naar voren is gebracht, maar dit acht het Hof van “ondergeschikt belang“.

Dan klaagt B over het wederhoor. Er is gelegenheid voor wederhoor gegeven, maar dit zou volgens B niet goed genoeg in de uitzending verwerkt zijn. Het Hof oordeelt echter dat de wijze van  verwerken van de wederhoor binnen de grenzen van de journalistieke vrijheid is gebleven:

Uitgangspunt is dat het tot de journalistieke vrijheid behoort hoe het weerwoord in de uitzending wordt verwerkt en dat op BNN-VARA geen verplichting rust om het weerwoord integraal of kritiekloos over te nemen. Van onzorgvuldige verwerking van het weerwoord is in dit geval geen sprake. Het moge zo zijn dat [appellant] hier ontevreden over is, op basis van al het beschikbare materiaal is een voldoende evenwichtig beeld neergezet waarin de kern van het weerwoord van [appellant] dat hij de ontstane situatie betreurt en naar een oplossing heeft gezocht – voldoende naar voren komt.”

Dan klaagt B over de inkleding van het programma. Hij stelt als ‘oplichter’ neergezet te zijn, door ‘suggestieve en tendentieuze’ montage. Ook hier gaat het Hof niet in mee, waarbij weer wordt gewezen op de journalistieke vrijheid:

Voorop staat dat de inkleding en vormgeving van een uitzending aan de journalistieke vrijheid is overgelaten (…) Niet uit te sluiten valt dat de gemiddelde kijker het handelen van [appellant] als onbetrouwbaar of zelfs als oplichting kwalificeert, maar dat is een gevolg van zijn eigen handelen en niet terug te voeren op de inkleding en vormgeving van het item.”

Het Hof weegt verder mee dat de uitzending in het publieke belang is. Ook stelt het Hof vast dat de uitzending weliswaar  gevolgen voor B heeft gehad, maar niet zoveel gevolgen als door B gesteld. Bovendien rechtvaardigen volgens het Hof verschillende factoren de gevolgen die wel aannemelijk zijn gemaakt. Het Hof wijdt hier in de slotoverwegingen nog een paragraaf aan:

Het hof neemt aan dat de uitzending, waarin [appellant] weliswaar niet in beeld komt maar zijn privéwoning wel te zien is en ook zijn volledige voor- en achternaam alsmede zijn bedrijfsnaam worden vermeld, onaangename gevolgen voor [appellant] heeft gehad. Daar staat echter tegenover dat het publiek er een groot belang bij heeft dat vrijelijk kan worden berichten over onderwerpen die de consument raken. Voor de uiting, hoe onaangenaam ook voor [appellant] , bestond voldoende aanleiding en bij de totstandkoming en inkleding daarvan zijn de grenzen niet overschreden.”

De uitzending wordt daarmee – bijna vijf jaar na dato – nogmaals rechtmatig geoordeeld.