Hof Amsterdam: Het Parool mocht wél over rol Vlaamse plastisch chirurg van prostituees groep Saban B. schrijven en hem bij naam noemen

Saban B.Het Parool omschreef de arts als de meest opmerkelijke ‘faciliteerder’ van de groep pooiers rondom Saban B. De Vlaamse plastisch chirurg was “het vaste adres voor de borstvergrotingen die de pooiers ‘hun’ vrouwen oplegden”. De arts verleende kwantumkorting aan Saban B. en zijn vrienden. Het kwam voor dat de arts de gewenste borstomvang met hun pooier, niet met de vrouwen zelf besprak. En het kwam voor dat een vrouw uit de narcose ontwaakte met een veel grotere cupmaat dan ze had verwacht. Aldus Het Parool in een artikel van Paul Vugts van 9 augustus 2008.

“Trial by media”
De arts was niet blij met deze typeringen, in het bijzonder omdat zijn naam en vestigingsplaats werden genoemd. Hij benadrukte dat hij weliswaar als getuige in de strafzaak tegen de groep Saban B., de Sneep-zaak, was gehoord, maar dat hij zelf geen verdachte was. Verder erkende hij dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg een onderzoek tegen hem heeft ingesteld, maar daarmee is nog niet gezegd dat zijn handelen tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Er is immers (nog) geen tuchtrechtelijk oordeel. De arts beschuldigde Het Parool van “trial by media”. Zonder zich te hebben kunnen verweren, is hij door het artikel in Het Parool aan de schandpaal genageld. Hij stelde daardoor grote schade te lijden en begon een procedure tegen Het Parool.

De rechtbank Amsterdam was het roerend met de Vlaamse plastisch chirurg eens. Bij vonnis van 15 april 2009 oordeelde de rechtbank dat de passage in Het Parool een onaanvaardbare inbreuk was op de (beroeps)eer en goede naam van de arts en dat Het Parool onrechtmatig had gehandeld. Het Parool moest de arts alvast € 10.000 aan immateriële schadevergoeding betalen. Verder achtte de rechtbank het aannemelijk dat de arts nog meer (materiële) schade had geleden en voor de hoogte daarvan verwees de rechtbank de partijen naar een zogenaamde ‘schadestaatprocedure’.

Zorgvuldigheidsnorm
Het Parool is tegen dit vonnis in hoger beroep gegaan en met succes. In het arrest van 30 november 2010 zet het Hof een stevige zorgvuldigheidsnorm neer en toetst vervolgens de passage in Het Parool aan die norm.

Hof: “Deze zorgvuldigheid brengt bij het verspreiden of openbaar maken van gegevens waardoor een specifieke (rechts)persoon in zijn eer en goede naam kan worden aangetast met name mee dat zulke gegevens niet als juist en/of vaststaand mogen worden gepresenteerd indien daaromtrent redelijkerwijs twijfel behoort te bestaan, dat die gegevens redelijkerwijs van belang moeten kunnen worden geacht in verband met de geuite mening of geopenbaarde gebeurtenissen, en dat zulke gegevens (ook overigens) niet mogen worden vermeld voor zover voorzienbaar is dat hun verspreiding of openbaarmaking de desbetreffende (rechts)persoon een nadeel zullen toebrengen dat in geen redelijke verhouding kan staan met het door de meningsuiting beoogde doel“.

De gewraakte passage blijft overeind, omdat de getuigenverklaringen van twee slachtoffers door de strafrechter als voldoende betrouwbaar zijn beschouwd om tot bewijs te dienen. Daarom, zo oordeelt het Hof, mocht Het Parool deze feiten als vaststaand weergeven.

Naamsvermelding 
Over de volledige naamsvermelding van de arts overweegt het Hof: “Gelet evenwel op enerzijds het belang dat Het Parool c.s. hebben kunnen toekennen aan publieke aandacht voor de in het krantenartikel genoemde misstand, en anderzijds de aard en betekenis van het handelen dat zij [de arts] in dat verband hebben verweten, kan niet worden gezegd dat de vermelding van diens naam en zijn vestigingsplaats in de context van het artikel redelijke grond ontbeert“.

Wederhoor
Tot slot zijn voor de praktijk de overwegingen ten aanzien van het beginsel van hoor en wederhoor zeer interessant. Het Hof achtte wederhoor in deze zaak geboden en beschouwt het gebrek daaraan als een verzuim. Maar het Hof oordeelt vervolgens dat dit verzuim niet onrechtmatig is. Het bronnenmateriaal, met name de verklaringen van de twee eerder genoemde slachtoffers en die van de arts zelf, maken het volgens het Hof “onwaarschijnlijk [..] dat [de arts] Vugts ervan had kunnen overtuigen dat diens voorgenomen publicatie ten aanzien van de (waardering van de) daarin genoemde feiten zó onjuist was dat die publicatie achterwege diende te blijven of minst genomen anders moest worden geredigeerd.

Als de feiten kloppen en wederhoor zou geen ander licht op de zaak hebben geworpen, dan wordt het achterwege laten van wederhoor dus niet als onrechtmatig beschouwd. 

Deze zaak is behandeld door Otto Volgenant en Christien Wildeman

| Print Print | MR 7088