EHRM in tweede Guja-arrest: wederom schending rechten klokkenluider

Klokkenluiders kunnen bescherming ontlenen aan de vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM). Het standaard-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) hierover is het Guja-arrest uit 2008. Deze zaak draaide om Iacob Guja, een ambtenaar in Moldavië die twee opzienbarende brieven had gelekt naar de media waaruit bleek dat vanuit de regering druk was uitgeoefend op het OM om strafzaken stop te zetten. Guja werd daarop ontslagen, wat naar het oordeel van het EHRM een schending van artikel 10 EVRM opleverde. Guja werd vervolgens weer in dienst genomen, maar kort daarop wéér ontslagen. Hij wendde zich wederom tot het EHRM, dat ook nu weer oordeelt dat zijn rechten onder artikel 10 EVRM zijn geschonden.

Het EHRM beoordeelt de nieuwe feiten vanuit het toetsingskader dat in het eerste Guja-arrest is vastgesteld (zie Bescherming van klokkenluiders onder artikel 10 EVRM, p. 10-14).

Het Hof ziet als centrale vraag in deze zaak of het tweede ontslag van Guja ook het gevolg was van zijn eerdere klokkenluiden. Als deze vraag met ‘ja’ beantwoord kan worden bestaat er een nieuwe inmenging in de rechten van Guja onder artikel 10 EVRM.

Een belangrijk vraagstuk dat in dit soort zaken telkens speelt is op wie de bewijslast rust van het geven van een antwoord op de vraag of maatregelen tegen de klokkenluider het gevolg zijn van het klokkenluiden.

Uit de omstandigheden van deze zaak is vrij duidelijk dat dit hier aan de orde is. Zo bleek uit de feiten dat op dezelfde dag dat Guja weer terugkeerde in zijn werk, zijn baas (de Procureur-Generaal) voorbereidingen begon te treffen om hem te ontslaan. Het EHRM acht dit een (op zijn zachtst gezegd) ongebruikelijke handelwijze. Ook is Guja in de twee weken tussen zijn terugkeer op werk en zijn ontslag stevig tegengewerkt door zijn werkgever (zo kreeg hij kennelijk zelfs geen toegangspasje tot zijn kantoorgebouw).

Het EHRM oordeelt dan ook:

the Court considers that there are sufficiently strong grounds for drawing an inference that the applicant’s second dismissal from his employment was not related to an ordinary labour dispute, but had all the characteristics of another act of retaliation for his disclosing the letters in 2003. The manner in which the events unfolded and their timing could make an independent observer reasonably conclude that the applicant’s second dismissal was not unrelated with the events of 2003

Daaruit lijkt te volgen dat de lat voor het aannemen van causaliteit tussen maatregelen tegen een klokkenluider en het klokkenluiden vrij laag ligt (het is voldoende als de feiten ‘could make an independent observer reasonably conclude’ dat dit het geval is).

Er is dus sprake van een inmenging in de rechten van Guja onder artikel 10 EVRM, en deze voldoet naar oordeel van het EHRM niet aan de eisen die artikel 10 lid 2 EVRM daar aan stelt. Daarbij is cruciaal dat de nationale rechter in het geheel niet aan artikel 10 EVRM heeft getoetst, terwijl dit wel door Guja is aangevoerd in de nationale procedure.

Voor de tweede keer zijn dus de rechten van Guja onder artikel 10 EVRM geschonden. Dat is voor hem goed nieuws: schrijnend is alleen wel dat hij in deze zaak al sinds 2003 bezig is om zijn gelijk te halen. In dat opzicht is zijn ervaring helaas nog steeds typisch voor klokkenluiders.