Drie billboards in de buurt van boerderij deels onrechtmatig

In de alom geprezen film Three Billboards Outside Ebbing, Missouri uit 2017 plaatst de moeder van een vermoord meisje drie grote reclameborden langs de weg met kritiek op het optreden van de politie in de zaak. Kritische reclameborden vormden recent ook de steen des aanstoots in een zaak voor de voorzieningenrechter in Rotterdam. De feiten waren gelukkig minder dramatisch: een aannemer had drie borden langs de weg geplaatst met de melding dat opdrachtgevers de facturen van de aannemer niet volledig hadden voldaan, waardoor zij als ‘oplichters’ zouden kwalificeren. Deze borden waren strategisch in de buurt van de boerderij van de opdrachtgevers geplaatst. Deze eisten vervolgens in kort geding een uitings- en contactverbod. De voorzieningenrechter wijst de eis deels toe.

Eisers hebben samen een melkveebedrijf en hebben de aannemer de opdracht verstrekt een veranda te bouwen. De aannemer heeft de veranda voor een groot deel gebouwd. Vervolgens hebben eisers besloten om de veranda door een ander af te laten maken, omdat het werk volgens hen niet opschoot. Hierdoor is tussen partijen een geschil ontstaan over de laatste deelbetaling van € 3.107,63. De aannemer heeft daarop borden langs de openbare weg geplaatst met teksten als “[namen eisers] Veranda betalen”, “[eisers] hebben hun veranda nog steeds niet helemaal betaald” en “oplichting”.

Daarnaast heeft de aannemer SMS, WhatsApp en e-mail berichten gestuurd naar de eisers met de teksten als: “jullie moeten gaan betalen anders wordt het geen leuk jaar voor jullie”, “Neem contact met mij op want anders gaat het zeker uit de hand lopen als wij komen om mijn spullen terug te halen” en “Hee oplichters, gaan jullie nog betalen?

De voorzieningenrechter oordeelt dat niet in geschil is dat de laatste rekening niet betaald is. Daaruit volgt dat de uitingen over het onbetaald blijven van de rekening voldoende steun in de feiten hebben. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter in een fraaie passage:

Die mededeling is immers feitelijk juist en heeft betrekking op een zakelijk geschil. Dit valt naar voorlopig oordeel onder de vrijheid van meningsuiting. Eisers zullen begrijpelijkerwijs ongemak ervaren door deze tekstborden maar dat maakt de mededelingen nog niet zonder meer onrechtmatig. In dit oordeel wordt meegewogen dat de vrijheid van meningsuiting juist is bedoeld voor die gevallen waarin de uitlatingen (kunnen) schrijnen. Het recht op vrije meningsuiting zal gewoonlijk niet ingeroepen hoeven te worden bij een eenvoudig praatje over het weer

Echter, de voorzieningenrechter trekt een streep bij de uiting dat er sprake zou zijn geweest van ‘oplichting’. Uit het vonnis blijkt dat de voorzieningenrechter de aannemer ter zitting heeft gevraagd of hier enige steun in de feiten voor bestond:

De voorzieningenrechter heeft [gedaagde] ter zitting gevraagd of hij bewijzen had en het antwoord was: ja, maar die heb ik niet bij me. Dat is niet voldoende. [gedaagde] had die bewijzen moeten tonen aan de voorzieningenrechter toen hij daar de kans voor had maar dat heeft hij niet gedaan.”

De uiting dat er sprake zou zijn van ‘oplichting’ acht de voorzieningenrechter dan ook onrechtmatig, net als de ‘bedreigende berichten’ die gedaagde aan eisers heeft gestuurd. Echter, de voorzieningenrechter oordeelt dat de eis dat gedaagde zich ‘niet langer smadelijk/lasterend’ zou mogen uitlaten te ver gaat:

Een vordering tot een algemeen verbod aan [gedaagde] om zich niet langer smadelijk uit te laten, of uitlatingen te doen die ‘op andere wijze onrechtmatig zijn’ kan niet worden toegewezen. De vordering is te onbepaald en kan niet ten uitvoer worden gelegd.”

De voorzieningenrechter wijst een beperkter geformuleerd uitingsverbod toe voor de duur van een jaar. Ook moet de aannemer zich een jaar lang onthouden van het sturen van berichten ‘van dreigende aard en/of waarbij de strekking is dat eisers tot betaling worden gedwongen’.