Beperkt publicatieverbod voor bedrijf dat zich benadeeld voelt door zakenpartner

Logo Pagedal, www.pagedal.nlIn 2010 organiseerde een bedrijf een extern beurs in recreatie-, sport- en evenementencentrum Pagedal te Stadskanaal. Dit centrum is eigendom van Pagecentrum.  Het jaar daarop besloot Pagecentrum zélf een soortgelijk evenement te organiseren. Dit schoot het externe bedrijf in het verkeerde keelgat en na enige correspondentie over en weer stuurde het op 3 oktober jl. een mail waarin het  een vergoeding eiste. Als het bedrijf  die niet zou krijgen zou het de ‘onrechtmatige zelfverrijking’ van Pagecentrum per direct openbaar maken middels een mail of tweet, incluis ‘bewijsstukken’,  naar verschillende partijen (gemeente, media, bedrijven) in de omgeving van Stadkanaal. Pagecentrum wilde dit voorkomen en begon een kort geding, waarin de voorzieningenrechter vorige week Pagecentrum grotendeels in het gelijk stelde.

Pagecentrum had gevorderd dat het bedrijf zich moest “onthouden van uitlatingen die Pagecentrum en Pagedal in een kwaad daglicht stellen”. Meer specifiek wilde Pagecentrum dat er geen informatie naar buiten zou komen waarin Pagecentrum/dal “negatief zou worden afgeschilderd”, ofwel dat er geen woorden “worden gebruikt als “diefstal”, “onrechtmatig”, “zelfverrijking”, “afgepakt”, “bestelen” of woorden van gelijke strekking”.

De rechtbank begint met het behandelen van de bron van de problemen: het conflict rondom het opnieuw organiseren van de beurs. Hoewel het handelen van Pagecentrum “niet de schoonheidsprijs verdient”, zo oordeelt de rechtbank, is er niks contractueel vastgelegd. Het staat Pagecentrum dus vrij om de beurs te organiseren, ook al lijkt hij sterk op de beurs van het voorgaande jaar. Of het externe bedrijf eventueel rechten op het concept kan laten gelden, valt buiten het bestek van het kort geding.

Omdat nog geen onrechtmatig handelen van Pagecentrum jegens het bedrijf vaststaat, mag het bedrijf zich niet uitlaten over Pagecentrum als het woorden als ’diefstal’, ‘stelen’ en ‘onrechtmatig’ (waarin de mail van 3 oktober mee was gedreigd) gebruikt. Het vonnis vermeldt overigens dat dit ter zitting al was toegezegd door het externe bedrijf.

Het bedrijf mag zich verder echter wel uitlaten over negatieve ervaringen met Pagecentrum:

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat het [gedaagde] vrij om verslag aan derden te doen van zijn ervaringen met Pagecentrum en deze wereldkundig te maken via (sociale) media. De begrippen afpakken en zelfverrijking zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter daarbij niet ontoelaatbaar zolang zij niet in de uitdrukkelijke context van wederrechtelijkheid of onrechtmatigheid worden gebruikt.

[Gedaagde] handelt voorshands niet onrechtmatig door verslag te doen van zijn ervaringen met Pagecentrum, ook niet indien de teneur van die ervaringen een negatieve is. Toewijzing van deze ruim geformuleerde vordering zou een ontoelaatbare inperking op de vrijheid van meningsuiting van [gedaagde] te weeg brengen en zou de waarborgen die in artikel 10 lid 2 EVRM zijn gesteld met voeten treden.

De rechtbank is zo aanzienlijk genuanceerder in het toepassen van de belangenafweging dan de rechtbank Den Bosch in een zaak waar we eerder over schreven, waarin de moeder van een topmodel werd verboden om ‘nodeloos grievende’ uitlatingen over haar dochter te doen op straffe van een dwangsom.