Nieuwe Revu mag namen noemen in publicatie over misstanden bij castingbureau

De Nieuwe Revu berichtte vorig jaar over misstanden bij een Nederlands castingbureau (onder de kop “de Nederlandse Harvey Weinstein“). Dit maakte veel los: uiteindelijk bleek het artikel te gaan over het castingbureau Kemna Casting en haar baas Job Gosschalk. Een half jaar later, begin april 2018, wil Nieuwe Revu berichten over de actuele stand van zaken bij het castingbureau. Een journalist van het blad vraagt om wederhoor bij Kemna en stuurt uiteindelijk een dag voor publicatie een concept artikel aan Kemna, waarin ook twee andere met naam genoemde castingdirectors van het bureau worden beschuldigd van ‘onoorbare praktijken’. Kemna start na publicatie van het artikel in print en online een kort geding met als inzet een verbod om deze beschuldigingen te doen en de online artikelen zo aan te passen dat niets meer te herleiden is naar de twee castingdirectors. De voorzieningenrechter oordeelt dat Nieuwe Revu niet onrechtmatig heeft gehandeld en wijst de vorderingen af.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het met naam en toenaam berichten over personen die van seksueel grensoverschrijdend gedrag worden beschuldigd toegestaan kan zijn:

Een van de omstandigheden die in die belangenafweging meeweegt, is de mate waarin de inhoud van de publicatie steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal. In dit kader hoeft van Nieuwe Revu niet te worden verwacht dat de juistheid van de publicatie onomstotelijk vast is komen te staan. Wel mag van haar worden verwacht, zeker bij een onderwerp over ‘machtsmisbruik’ en ‘seksueel grensoverschrijdend gedrag’, dat zij voldoende zorgvuldig journalistiek onderzoek verricht. Onderdeel hiervan is een correcte toepassing van het beginsel van hoor en wederhoor. Tevens is van belang of er een noodzaak is tot het noemen van de namen, gekoppeld aan de vraag of het daarmee nagestreefde doel ook langs andere weg had kunnen worden bereikt.”

De voorzieningenrechter loopt elk van deze omstandigheden af en oordeelt allereerst dat de inhoud van de publicatie voldoende steun in de feiten vindt. Daarbij stelt de voorzieningenrechter vast dat een belangrijke melding in de publicatie is dat “de gedragingen van [naam 6] niet op zich staan, maar onderdeel uitmaken van een bedrijfscultuur waarbij misbruik wordt gemaakt van de afhankelijke positie die (beginnende) acteurs hebben ten opzichte van [eiseres] die bepaalt wie welke rollen toebedeeld krijgt“.

De voorzieningenrechter oordeelt daarop dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat uit gedegen journalistiek onderzoek is gebleken dat de onoirbare gedragingen zich niet tot Gosschalk beperken, maar dat ook tot de twee met naam vermelde casting directors in dit verband genoemd worden. Het gebruik van anonieme bronnen wordt toelaatbaar geacht gezien de precaire positie waarin deze bronnen zich bevinden en het recht op brongeheim waar Nieuwe Revu zich op beroept. Een belangrijke rol speelt verder dat de uitlatingen over de twee castingdirectors in genuanceerde termen zijn opgeschreven.

Het hoor en wederhoor acht de voorzieningenrechter ook ruim voldoende. Daarbij wordt de reactie van Kemna Casting op het verzoek tot het geven van wederhoor meegewogen – er is geen inhoudelijke reactie gekomen, slechts een sommatie. De inhoud van deze sommatie is door Nieuwe Revu bovendien in een apart kader opgenomen in het artikel.

In het licht van deze omstandigheden oordeelt de voorzieningenrechter als volgt over het vermelden van de namen van de twee castingdirectors:

De vraag is dan nog of de noodzaak bestaat om [naam 7] en [naam 8] met naam en toenaam in de publicatie te noemen of dat het nagestreefde doel ook langs andere weg had kunnen worden bereikt. In dit verband is van belang dat [naam 7] en [naam 8] , net als [naam 6] , als castingdirectors sleutelfiguren zijn/waren binnen [eiseres] . Nu er aanwijzingen bestaan dat ook zij een -al is het een beperktere- rol hebben gespeeld in de angstcultuur binnen [eiseres] waarover in de publicatie wordt geschreven, moeten zij, in de context van het gehele artikel, bij naam kunnen worden genoemd. Nu het doel van de publicatie is het aan de kaak stellen van de misstanden bij [eiseres] , waarvan aannemelijk is geworden dat die niet zijn beperkt tot de gedragingen van [naam 6] , kan dit doel niet ook langs andere weg worden bereikt.

Het artikel is dus niet onrechtmatig, de vorderingen worden afgewezen en het artikel is via Blendle te lezen. Lees ook de verslaggeving van Nieuwe Revu zelf over dit kort geding, waarin journalist Frank Waals de volgende reactie op het vonnis geeft:

Deze uitspraak is niet alleen een overwinning voor Nieuwe Revu en mijzelf, maar voor de hele journalistiek. Het bewijst dat, wanneer de zaak een groter doel dient of een complete beroepsgroep aangaat, namen van betrokkenen wel degelijk genoemd mogen worden. Temeer wanneer dit via verschillende onderbouwingen aannemelijk dan wel bewijsbaar kan worden gemaakt en de ernst en grootte van het probleem ermee kan worden aangetoond.