Hoge Raad in Tros vs. Pretium: tonen van verbogen camera-beelden bij misstand niet onrechtmatig

PretiumAfgelopen vrijdag deed de Hoge Raad uitspraak in de veelbesproken zaak tussen Tros en telecombedrijf Pretium. Kern van het geschil is dat Tros in haar consumentenprogramma Radar op kritische wijze aandacht heeft besteed aan de wijze waarop Pretium, door middel van de inzet van callcenters, haar producten aan de man brengt. In de uitzending van Radar zijn opnamen van een verkoopcursus bij zo’n callcenter getoond, die met behulp van een verborgen camera zijn gemaakt door een medewerker van Tros. Deze medewerker had zich voorgedaan als sollicitant. Pretium meende dat Tros daarmee onrechtmatig heeft gehandeld. Zie voor een verdere bespreking van de feiten hier en hier.

Het Gerechtshof Den Haag oordeelde in 2009 dat de uitzending niet onrechtmatig was jegens Pretium. Daaraan lag volgens het Hof onder meer ten grondslag dat de pers zijn ‘vital role’ van ‘public watchdog’ moet kunnen spelen, en dat misstanden door Pretium bij de telefonische verkoop van abonnementen gesignaleerd moeten kunnen worden. Tegen dit arrest van het Hof heeft Pretium cassatie ingesteld.

Zonder daar veel woorden aan te wijden oordeelt de Hoge Raad dat het Hof een correct oordeel heeft gegeven. Meer specifiek stelt de Hoge Raad ten aanzien van het heimelijk maken van video-opnamen dat(…) voor de beantwoording van de vraag of het gebruik door een journalist van een verborgen camera in het kader van zijn onderzoek naar een maatschappelijke misstand en het publiceren van het met die camera verkregen beeldmateriaal onrechtmatig is, het [aan komt] op een afweging van de daarbij betrokken belangen en omstandigheden.“. Het feit dat het gebruik van verborgen camera-apparatuur volgens journalistieke maatstaven niet toelaatbaar is (daar heeft Pretium zich in cassatie op beroepen), is volgens de Hoge Raad weliswaar een omstandigheid die een rol kan spelen bij deze afweging van belangen, maar is niet doorslaggevend. Zo ook in deze kwestie niet, aangezien het cassatieberoep van Pretium uiteindelijk wordt verworpen. Journalistieke maatstaven zoals neergelegd in de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek zijn volgens de Hoge Raad ”geen rechtens aan te leggen criterium maar een omstandigheid die weliswaar in de regel gewicht in de schaal zal leggen maar niet doorslaggevend behoeft te zijn.

Belangrijk voor de media is dus om te weten dat journalistieke maatstaven en gedragscodes, zoals de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek, weliswaar kunnen meewegen bij de beoordeling of een uiting (on)rechtmatig is, maar niet doorslaggevend zijn. Van die regels of codes kan dus niet blind worden uitgegaan. Zo kunnen opnamen die gemaakt zijn met een verborgen camera (wat volgens journalistieke maatstaven dus niet toelaatbaar is), in geval van een misstand die aan de kaak moet worden gesteld, toch rechtmatig wordt geacht, zo bewijst dit arrest.

Het voorgaande is overigens in lijn met het arrest in de zaak Stoelinga/Baljé (over de gondelaffaire). Ook in die zaak werd geoordeeld dat het tonen van heimelijk gemaakte opnamen van een misstand -door degene die dat in het algemeen belang deed- niet onrechtmatig was.