Hoge Raad wijst arrest in Delftse Gondelaffaire – ruim baan voor uitingsvrijheid politici

Bron: ProdeoAl enkele jaren lopen er procedures tussen het Delftse raadslid Martin Stoelinga en een voormalige wethouder van die stad. Stoelinga schreef dat hij de indruk kreeg dat de wethouder corrupt is, onder meer naar aanleiding van in een Delftse pizzeria in het geheim opgenomen beeld- en geluidopnames uit 2004 en 2005 waarin de wethouder verschillende telefoongesprekken afhandelt. Hier, hier en hier is een fragment gepubliceerd van die opnames. De wethouder stelde dat hij zich niet onethisch had gedragen en dat de uitingen van Stoelinga onrechtmatig waren. Hij startte verschillende procedures tegen Stoelinga en zijn partij. Zie hier voor meer achtergrondinformatie.

Na talloze uitspraken in kort geding stelde uiteindelijk het Gerechtshof Den Haag Stoelinga in de bodemprocedure in het gelijk (MR 4475). De wethouder ging in cassatie. Na een eerdere conclusie van Procureur Generaal Huydecoper bij de Hoge Raad (zie MR 9597), die strekte tot verwerping van het cassatieberoep van de ex-wethouder, heeft de Hoge Raad vandaag arrest gewezen en het cassatie-beroep verworpen. Hier staat een persbericht van de Hoge Raad over de uitspraak. Stoelinga is daarmee nu definitief in het gelijk gesteld. Zijn uitingen over de wethouder waren niet onrechtmatig.

In het arrest merkt de Hoge Raad allereerst op dat het hier gaat om uitingen van een oppositie-lid, waarbij het voor het goed functioneren van de democratie noodzakelijk is dat er de grootst mogelijke terughoudendheid moet worden betracht bij de toetsing of deze uitingen (on)rechtmatig zijn. Daarbij verwijst de Hoge Raad naar de rechtspraak met betrekking tot artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, waarin het grondrecht op vrijheid van meningsuiting is vastgelegd. Vervolgens bevestigt de Hoge Raad nog eens dat deze vrijheid van meningsuiting in het politieke debat niet alleen betrekking heeft op de inhoud, maar ook op de vorm: die mag ‘offend, shock or disturb’. En belangrijk: dit geldt volgens de Hoge Raad óók voor uitlatingen van een politicus die buiten de gemeenteraad zijn gedaan.

Verder wordt in het arrest bevestigd dat de grenzen van toelaatbare kritiek op een openbaar bestuurder als publieke persoon ruimer zijn dan met betrekking tot een ‘gewone burger’. In een democratisch systeem moet het openbaar bestuur immers nauwlettend kunnen worden gevolgd door onder meer de pers en de publieke opinie. Dit betekent dat een openbaar bestuurder meer en heftigere kritiek zal moeten accepteren dan een burger. Het politieke debat moet immers op het scherpst van de snede gevoerd kunnen worden.

Het voorgaande tezamen met het feit dat de uitingen van Stoelinga zich richten op het optreden van de wethouder in het kader van de uitoefening van zijn functie, en niet op het privéleven van de wethouder, alsmede het feitelijke karakter van het arrest van het gerechtshof, leidt volgens de Hoge Raad tot de conclusie dat het oordeel van het Hof -dat Stoelinga eerder geheel in het gelijk stelde- juist is.

Gemeenteraadslid Martin Stoelinga werd in feitelijke instanties (vanaf het appel) bijgestaan door Jens van den Brink en Reindert van der Zaal (Kennedy Van der Laan). Cassatie-advocaten van Stoelinga zijn Hans van Wijk en Sikke Kingma (Pels Rijcken), zie hier voor een bijdrage op hun weblog Cassatieblog.nl.