Volledige naamsvermelding verdachte

joepB. is medeverdachte in de fraudezaak rondom de geruchtmakende ondergang van de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij NV (RDM). Hoofdverdachte is Joep van den Nieuwenhuijzen, in 1982 bekend geworden als woordvoerder van de familie Van der Valk inzake de ontvoering van zijn toenmalige schoonmoeder Toos van der Valk. Later verwierf Van den Nieuwenhuijzen de bijnaam ‘bedrijvendokter’ door slechtlopende bedrijven op te kopen en weer winstgevend te maken. Zijn goede reputatie is lang vervlogen sinds hij verschillende keren in verband is gebracht met fraude en omkoping.

Uitspraak RvdJ als opstapje naar de rechter

B. was enige tijd financial controller van het RDM-concern. Hij is er niet van gediend dat hij in het boek “Joep! Van held tot hoofdverdachte” van financieel journalist Philip de Witt Wijnen en in een voorpublicatie in tijdschrift Quote bij zijn volledige naam wordt genoemd. Immers, het is in Nederland gebruikelijk dat verdachten in de media met initialen worden aangeduid. [B] dient een klacht in bij de Raad voor de Journalistiek (RvdJ). Over die klacht verschijnt vervolgens nog een enigszins vilein berichtje in Quote geïllustreerd met een foto van een huilende baby en de afsluitende woorden “NASCHRIFT Het spijt ons, meneer [B.]“.

De RvdJ stelt B. in het gelijk: zijn privacy is disproportioneel aangetast door zijn volledige naam te vermelden en niet slechts zijn initialen zoals in journalistieke kringen gebruikelijk. Vermoedelijk gesterkt door deze uitspraak spant B. een civiele procedure aan waarin hij van journalist en uitgevers ruim € 95.000 schadevergoeding eist. B. beroept zich op artikel 8 EVRM, het recht op bescherming van zijn privéleven. Het vermelden van zijn volledige naam dient volgens hem geen enkele relevant maatschappelijk belang, laat staan een maatschappelijk belang dat zwaarder weegt dan zijn individuele belang om niet vermeld te worden.

Oordeel van de rechtbank

Bij vonnis van 7 maart 2012 wijst de rechtbank Amsterdam alle vorderingen van B. af. De rechtbank motiveert haar oordeel uitgebreid (zie onderaan dit bericht een opsomming van alle relevante omstandigheden).

De rechtbank overweegt onder meer: “Verder is van belang dat de berichtgeving over [B] in de publicaties is beperkt tot zijn professionele handelen als financial controller bij het RDM-concern.” Dit is in lijn met het recente Springer-arrest waarin het EHRM overwoog: “In order for Article 8 to come into play, however, an attack on a person’s reputation must attain a certain level of seriousness and in a manner causing prejudice to personal enjoyment of the right to respect for private life.” Het EHRM werpt hiermee een drempel op voor de bescherming van reputaties op grond van artikel 8 EVRM. Vrij vertaald is artikel 8 pas in het geding als sprake is van een aanval op een reputatie van enige ernst en met persoonlijke gevolgen. Het EHRM is er bovendien duidelijk over dat artikel 8 geen bescherming biedt tegen reputatieschade die het gevolg is van eigen (crimineel) handelen: “The Court has held, moreover, that Article 8 cannot be relied on in order to complain of a loss of reputation which is the foreseeable consequence of one’s own actions such as, for example, the commission of a criminal offence.”

Ook interessant voor toekomstige publicaties is de overweging van de rechtbank dat “[B] niet heeft betwist dat het in zogenaamde verhalende biografieën, in welke categorie het boek valt, gebruikelijk is, althans vaak voorkomt, dat namen van verdachten voluit worden weergegeven. De naamsvermelding van [B] is daarmee in overeenstemming met de stijl en opzet van literaire non-fictie.

Niet nieuw, maar wel geruststellend is tot slot dat de rechtbank geen moeite heeft de uitspraak van de RvdJ terzijde te schuiven: “Het schenden van een journalistieke afspraak om slechts de voorletters van diegenen die onderwerp zijn van justitieel onderzoek te vermelden [...], kan niet gelijk worden gesteld aan schending van een wettelijke bepaling.”

Mag volledige naamsvermelding van verdachten nu altijd?

Nee, met deze uitspraak is niet gezegd dat volledige naamsvermelding van verdachten nu altijd door de beugel kan volgens de rechter. Dat zal afhangen van de specifieke omstandigheden van het geval. Maar deze goed gemotiveerde uitspraak van de rechtbank Amsterdam getuigt er wel van dat de rechtbank oog heeft voor (onderzoeks)journalistieke afwegingen en belangen en niet klakkeloos de verdachte in bescherming neemt.

Daarentegen geeft de Raad voor de Journalistiek de indruk – door onder alle omstandigheden vast te houden aan een fatsoensafspraak uit 1953 dat verdachten met hun initialen worden aangeduid – niet open te staan voor discussie over maatschappelijke en journalistieke veranderingen. Men kan zich met recht afvragen of de vrijheid van meningsuiting en in het bijzonder onderzoeksjournalistiek bij de Raad voor de Journalistiek wel in goede handen zijn. Deze uitspraak geeft te denken.

Voor de liefhebber: opsomming alle relevante omstandigheden

De rechtbank motiveert haar oordeel uitgebreid en betrekt daarin de volgende omstandigheden:

  • Vaststaat dat [B] in het strafrechtelijk onderzoek tegen Van den Niewenhuijzen als medeverdachte is aangemerkt en dat [B] via zijn bedrijf nog steeds werkzaamheden verricht voor Van den Nieuwenhuijzen en/of aan hem gelieerde ondernemingen. De publicaties vinden dan ook steun in de feiten en er is geen sprake van lichtvaardige verdachtmakingen.
  • Verder is van belang dat de berichtgeving over [B] in de publicaties is beperkt tot zijn professionele handelen als financial controller bij het RDM-concern.” [Dit is helemaal in lijn met het recente Springer-arrest waarin het EHRM overwoog: "In order for Article 8 to come into play, however, an attack on a person's reputation must attain a certain level of seriousness and in a manner causing prejudice to personal enjoyment of the right to respect for private life." Het EHRM werpt hiermee een drempel op voor de bescherming van reputaties op grond van artikel 8 EVRM. Vrij vertaald is artikel 8 pas in het geding als sprake is van een aanval op een reputatie van enige ernst en met persoonlijke gevolgen. Het EHRM is bovendien zeer duidelijk dat artikel 8 geen bescherming biedt tegen reputatieschade die het gevolg is van eigen (crimineel) handelen: "The Court has held, moreover, that Article 8 cannot be relied on in order to complain of a loss of reputation which is the foreseeable consequence of one's own actions such as, for example, the commission of a criminal offence."]
  • Grootschalige faillissementsfraude en de (mogelijke) betrokkenheid van een financial controller daarbij is een ernstige misstand“. [Vergelijk de overweging van het EHRM in de zaak Springer: "The public do, in principle, have an interest in being informed - and in being able to inform themselves - about criminal proceedings, whilst strictly observing the presumption of innocence"]
  • Gelet op enerzijds het belang dat [gedaagde c.s.] heeft kunnen toekennen aan publieke aandacht voor de in de publicaties genoemde misstand, en anderzijds de aard en betekenis van het handelen van [B] in dat verband, kan niet worden gezegd dat de vermelding van diens volledige naam in de context van de publicaties iedere redelijke grond ontbeert“. [Vergelijk het Hof Amsterdam in de zaak van Het Parool/Plastisch chirurg: "Gelet evenwel op enerzijds het belang dat Het Parool c.s. hebben kunnen toekennen aan publieke aandacht voor de in het krantenartikel genoemde misstand, en anderzijds de aard en betekenis van het handelen dat zij [de arts] in dat verband hebben verweten, kan niet worden gezegd dat de vermelding van diens naam en zijn vestigingsplaats in de context van het artikel redelijke grond ontbeert“.
  • Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [B] niet heeft betwist dat het in zogenaamde verhalende biografieën, in welke categorie het boek valt, gebruikelijk is, althans vaak voorkomt, dat namen van verdachten voluit worden weergegeven. De naamsvermelding van [B] is daarmee in overeenstemming met de stijl en opzet van literaire non-fictie.” [Vergelijk het Hof Amsterdam in de zaak van Het Parool/Plastisch chirurg: "Daarbij neemt het hof ook in aanmerking dat Het Parool c.s. onweersproken hebben gesteld dat het naar de in de beroepsgroep van journalisten aanvaarde normen niet ontoelaatbaar is om personalia van een beschreven persoon voluit te vermelden, zeker niet indien die persoon anders dan als verdachte of veroordeelde wordt genoemd."
  • [B] heeft bovendien door ieder contact met journalist De Witt Wijnen af te houden de mogelijkheid om bezwaar tegen naamsvermelding te maken, zelf laten lopen.
  • Dat de RvdJ de klacht gegrond heeft geacht is een omstandigheid die dient te worden meegewogen bij de beoordeling of onrechtmatig [is] gehandeld, maar hieraan komt geen doorslaggevende betekenis toe.” [Dit is een directe toepassing van het arrest van de Hoge Raad in Tros/Pretium.] “Het schenden van een journalistieke afspraak om slechts de voorletters van diegenen die onderwerp zijn van justitieel onderzoek te vermelden [...], kan niet gelijk worden gesteld aan schending van een wettelijke bepaling.
  • De naamsvermelding van [B] in het berichtje van Quote over zijn klacht bij de RvdJ was wel “onnodig en pesterig”, maar het leed was door de eerdere publicaties al geleden en [B] heeft niet bewezen dat hij specifiek door deze laatste publicatie schade heeft geleden.

Update: Het Hof oordeelde uiteindelijk dat de naamsvermelding toch onrechtmatig was. Dat oordeel bleef ook na cassatie bij de Hoge Raad overeind.