Hof: NRC mag naam hoogleraar noemen in #metoo-publicatie

In mei 2019 publiceerde NRC een artikel over een voormalig rechter-plaatsvervanger en hoogleraar aan de UvA, B., die eind 2018 ontslagen is. De UvA heeft destijds een persbericht naar buiten gebracht waarin stond dat een onderzoeksbureau heeft geconstateerd dat sprake is geweest van ‘grensoverschrijdend gedrag’ en dat om die reden de niet bij naam genoemde hoogleraar niet bij de UvA zou terugkeren. In het concept-artikel schrijft NRC dat dit persbericht op B. (waarbij zijn naam voluit werd geschreven) ziet en dat uit langdurig onderzoek blijkt dat het ontslag het gevolg is van jarenlang (seksueel) wangedrag en machtsmisbruik: “B. is een gangmaker, houdt van de kroeg en is vrijpostig in de omgang, zeker met vrouwen. Een vrouwelijke collega die vraagt of hij iets na wil kijken, antwoordt hij: „Ik kijk liever naar iets anders.” Zo maakt hij met regelmaat toespelingen, seksueel getinte opmerkingen en ‘grappen’ tegenover meerdere vrouwelijke collega’s. („Ik heb me net op je afgetrokken”). Het internet, dat in die jaren in opkomst is, biedt hem daartoe volop ruimte. Meerdere collega’s ontvangen pornoplaatjes en filmpjes van hem.

Als NRC het artikel voorafgaand aan publicatie in het kader van wederhoor aan B voorlegt, besluit hij een kort geding te starten, voorafgaand aan publicatie. Hij stelt zich niet te verzetten tegen de inhoud van het artikel, maar eist een verbod op het noemen van zijn voor- en achternaam, het noemen van het feit dat hij hoogleraar was bij de sectie arbeidsrecht van de UvA en op het tonen van zijn portretfoto in het artikel. Hij vindt dat hij geen publiek figuur is en dat het noemen van zijn naam een ernstige inbreuk op zijn privacy vormt. NRC verweert zich, onder andere door aan te voeren dat B wel degelijk een publiek figuur is, dat het artikel gebaseerd is op zorgvuldig journalistiek onderzoek en bijdraagt aan een publiek debat – het #metoo-debat – en dat de schade die B zou lijden een rechtstreeks gevolg is van zijn eigen gedrag.

De voorzieningenrechter in Amsterdam oordeelt dat NRC de sectie arbeidsrecht van de UvA in het artikel mag noemen, maar niet de voor- en achternaam van B. en/of zijn portretfoto mag publiceren. B. is weliswaar een publiek figuur, maar: “Voor het publieke debat over deze #metoo-kwestie is het niet nodig dat de naam van eiser wordt genoemd. Binnen zijn eigen professionele kringen zal (vrijwel) iedereen, voor zover dat niet al het geval is, snel weten dat het over hem gaat, ook als zijn naam niet wordt genoemd. [...] Een verdergaande inbreuk op zijn privacy en die van zijn gezin door het noemen van zijn naam in het artikel is in de gegeven omstandigheden niet gerechtvaardigd.

NRC publiceert het artikel zonder de naam van B. te noemen, maar gaat wel in hoger beroep. In hoger beroep besluit het hof Arnhem-Leeuwarden anders.

Het hof oordeelt ten eerste, net als de voorzieningenrechter, dat B. een publiek figuur is, door zijn positie in de samenleving als hoogleraar en rechter-plaatsvervanger. Daarnaast had hij binnen zijn vakgebied veel aanzien en trad hij op als spreker op grote arbeidsrechtelijke congressen en sprak of schreef hij als arbeidsrecht expert in verschillende nationale media. “Voor het zijn van een publiek figuur is niet nodig dat het grote publiek iemand kent of dat iemand de openbaarheid zoekt.” Ook oordeelt het hof dat de publicatie voldoende steun in het feitenmateriaal vindt en dat het een resultaat is van deugdelijk onderzoek door de journalisten: “NRC heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij, door 35 bronnen te horen en vertrouwelijke documenten in te zien, een grondig en behoorlijk onderzoek heeft verricht voor dit artikel.

Dan komt het hof tot de kern van de zaak: de naam van B. mag genoemd worden in het artikel. Hierbij oordeelt het hof, in tegenstelling tot de voorzieningenrechter, dat het noemen van zijn naam nou juist wel bijdraagt aan het publieke debat over deze #metoo-kwestie: “NRC heeft ook aannemelijk gemaakt dat het noemen van de naam van [B., red.] bijdraagt aan de zeggingskracht van het artikel en aan het algemeen belang. Juist in #metoo-zaken bestaat er namelijk een grote belangstelling bij het publiek om te vernemen welke hooggeplaatste of publieke personen zich vaak gedurende langere tijd straffeloos seksueel grensoverschrijdend hebben gedragen (vaak ten opzichte van mensen die in een afhankelijkheidsrelatie tot hen staan). Bovendien is aannemelijk dat het artikel voldoet aan de binnen de journalistiek geldende ethische regels en gedragscodes. Vaststaat dat [B., red.] niet strafrechtelijk wordt vervolgd voor de in het artikel beschreven incidenten. Dat betekent dat het artikel niet onder de initialenregel valt (die voor verdachten en daders van strafbare feiten geldt en inhoudt dat van hen slechts de voornaam en de eerste letter van de achternaam wordt genoemd). Ook als hij wel als verdachte zou zijn vervolgd, staat in de NRC Code trouwens dat van de initialenregel kan worden afgeweken bij hooggeplaatste publieke functionarissen (volgens die code onder andere rechters en hoogleraren).“. Ook weegt het hof mee dat het hier gaat om een ernstige misstand (“langdurig seksueel grensoverschrijdend gedrag ten aanzien van meerdere (ondergeschikte) collega’s en studenten“), waardoor het belang van NRC om het artikel te publiceren en de naam te noemen wordt vergroot. De omstandigheid dat de gevolgen van publicatie met naam aanzienlijk zullen zijn voor B., weegt hier niet tegenop.

Het hof wijst op de journalistieke vrijheid van NRC: “[B., red.] heeft nog aangevoerd dat de manier waarop de beschuldigingen zijn beschreven bijzonder stellig is, waarbij de beschuldigingen als feiten worden gepresenteerd en iedere nuance ontbreekt. [...] Dit valt echter onder de journalistieke vrijheid die NRC ook met betrekking tot de schrijfstijl heeft en maakt, ook in samenhang met de overige door [B., red.] genoemde punten, niet dat het privacybelang van [B., red.] voorgaat op het publicatiebelang van NRC.

Het hof vernietigt het door de voorzieningenrechter uitgesproken publicatieverbod. NRC bericht op 17 december 2019 hierover.

NRC werd in deze zaak bijgestaan door Christien Wildeman en Emiel Jurjens.