A.F.Th. van der Heijden wint rechtszaak tegen Peter Koelewijn

Hoe ver kun je als auteur gaan in het inbedden van waargebeurde elementen in een fictief verhaal? Of andersom, in hoeverre kun je fictie toevoegen aan een waargebeurd verhaal?

A.F.Th. van der Heijden voert in zijn boek De helleveeg de familie Koelewijn op, die een viswinkel runnen. De zoon des huizes had een Nederlandse rock ‘n roll hit met ‘Kom van dat dak af’. Dat levert nogal sterke parallelen op met de familie van Peter Koelewijn, wiens moeder een viswinkel runde, terwijl hij zelf een megahit had met ‘Kom van dat dak af’. Tot zover weinig aan de hand. Maar vervolgens gooit Van der Heijden er nogal heftige fictieve elementen bij. Te weten, vanuit de woning boven de viswinkel runde (zo vertelt een romanfiguur in het boek) een mevrouw een abortuspraktijk. En die vrouw voerde haar abortussen uit met de blote hand; “Bijgevijlde nagels, dat waren haar instrumenten. Ze sleep ze met puimsteen, de helleveeg. Ze stond erom bekend.

Dat vond Peter Koelewijn te ver gaan. Want: onze familie had een viswinkel, wij woonden daarboven, en ik had een hit met ‘Kom van dat dak af’. En dus wordt gesuggereerd dat mijn moeder illegale abortussen uitvoerde met haar nagels.

Koelewijn start een kort geding tegen Van der Heijden en zijn uitgever, de Bezige Bij.

De voorzieningenrechter overweegt eerst dat kenmerk van een roman is dat geen sprake is van een getrouwe beschrijving van de werkelijkheid, maar vooral van fictie. En dat weet de lezer ook. De auteur kan wel te ver gaan, bijvoorbeeld als ernstige beschuldigingen worden geuit die als waargebeurd kunnen worden geïnterpreteerd, terwijl de feitelijke basis voor die beschuldigingen ontbreekt. Dat doet zich hier volgens Koelewijn voor, terwijl door de stijl van Van der Heijden niet meer duidelijk is wat fictie is en wat niet.

De rechter stelt vast dat de gemiddelde lezer niet weet dat de Koelewijns boven de viswinkel woonden en dus ook niet wordt gesuggereerd dat Peter Koelewijns moeder de abortuspraktijk runde (voor zover dat karakter door de lezer überhaupt al als ‘echt’ kan worden ervaren). Dat er toch lezers kunnen zijn die in verwarring raken op dit punt maakt het niet anders: de passages waar Koelewijn over klaagt zijn niet onrechtmatig.

De rechter heeft zich vaker gebogen over de vraag hoe groot de artistieke vrijheid van auteurs is om fictie en werkelijkheid te mengen. Bijvoorbeeld in beide kort gedingen over de Heineken Ontvoering. In die zaken kwam de rechter tot een soortgelijk oordeel. In IDTV/Holleeder concludeerde de rechter:
Het staat de maker van een filmwerk over een historische gebeurtenis in beginsel vrij om aan zijn weergave van die gebeurtenis nieuwe, fictieve, elementen toe te voegen. Ook staat het hem vrij om gebruik te maken van acteurs die een zekere overeenstemming vertonen met daadwerkelijk bij de verfilmde historische gebeurtenis betrokken personen. Een en ander valt onder de vrijheid van artistieke expressie. Deze vrijheid wordt echter begrensd door het belang dat een bij de verfilmde historische gebeurtenis betrokken persoon erbij kan hebben om niet met die fictieve elementen in verband te worden gebracht. Voorshands wordt niet aannemelijk geacht dat deze grens in dit geval is overschreden.

Zie ook de uitspraak in IDTV/Meijer en Boellaard en voor rechtspraak van het EHRM op dit punt de zaak Lindon t. Frankrijk.