Uitvoerige Conclusie AG over persrecht in Gondelaffaire

gemeente-delftAl enkele jaren lopen er procedures tussen het Delftse raadslid Martin Stoelinga en een voormalige wethouder van die stad. Stoelinga beschuldigde de wethouder van corruptie, onder meer naar aanleiding van in een Delftse pizzeria in het geheim opgenomen beeld- en geluidopnames uit 2004 en 2005 waarin de wethouder verschillende telefoongesprekken afhandelt. De wethouder stelde dat hij zich niet onethisch had gedragen en dat de uitingen van Stoelinga onrechtmatig waren. Hij startte verschillende procedures tegen Stoelinga en zijn partij. Na talloze uitspraken in kort geding stelde uiteindelijk het Gerechtshof Den Haag Stoelinga in het gelijk (zie MR 4475 voor meer achtergrond over dat arrest). De wethouder ging in cassatie. In die cassatieprocedure is nu de conclusie van de PG verschenen. Hij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep van de ex-wethouder.

Advocaat-Generaal Huydecoper heeft een uitvoerige en voor de persrechtpraktijk interessante conclusie geschreven. Hier volgen enkele relevante passages:

Over de vrijheid politiek disfunctioneren aan de kaak te stellen (r.o. 27):

Voor de geoorloofdheid van het in de openbaarheid brengen van gegevens die kunnen wijzen op politiek disfunctioneren van een openbare bestuurder, is niet noodzakelijk, dat die openbaarmaking noodzakelijk is. De geprononceerde klemtoon die in de rechtspraak van het EHRM ligt op de zéér beperkte ruimte die er bestaat om aan het “discours politique” beperkingen op te leggen, maakt dat al duidelijk: als dat “discours” alleen toelaatbaar zou zijn (tenminste: waar het “pijnlijke” onderwerpen of verwijten betreft) wanneer het entameren daarvan “noodzakelijk” zou zijn, zou zo ongeveer het tegendeel van de door het EHRM benadrukte regel gelden: men zou moeten zwijgen als er geen zeer klemmende reden was om te spreken.

Over wederhoor (in de politieke arena en door persorganen):

De specifieke rol van (oppositionele) gekozen vertegenwoordigers in politieke organen als (mede-)controleurs van het beleid van de bestuurders, lijkt mij bijvoorbeeld niet verenigbaar met de eis dat verwijten aan die bestuurders steeds moet berusten op informatie waarvan de juistheid al dadelijk (afdoende) geverifieerd is, of dat er vóór de verwijten publiekelijk worden uitgesproken enige mate van hoor en wederhoor moet zijn toegepast; terwijl dergelijke eisen onder omstandigheden wél aan persorganen mogen worden gesteld. 

Vervolgens: ook voor persorganen geldt, denk ik, niet onverkort dat die gehouden zijn om “hoor en wederhoor” toe te passen vóór een publicatie plaatsvindt. De plicht om zich in voldoende mate te overtuigen dat er voor gepubliceerde informatie een deugdelijke feitelijke grondslag bestaat zal vaak meebrengen dat, voor zover dat voor praktische verwezenlijking vatbaar is, de zienswijze van een door een bericht benadeelde partij vooraf zal moeten worden ingewonnen – maar wij zien dagelijks gevallen waarin de omstandigheden van dien aard waren, dat er een uitzondering geldt. (Deze conclusie wordt opgesteld kort na de terroristische misdrijven die in Oslo plaatsvonden. Het dringt zich op dat de – uitvoerige – berichtgeving en commentaren daarover (slechts) konden plaatsvinden zonder toepassing van “wederhoor”, en veelal ook zonder dat de feiten waarover de berichten of commentaren gingen, aan nadere verificatie waren onderworpen. Tegelijk dringt zich op dat dat alleszins geoorloofd was).

De uitspraak van de Hoge Raad wordt verwacht op 11 november 2011.

Gemeenteraadslid Martin Stoelinga werd in feitelijke instantie bijgestaan door Jens van den Brink en Reindert van der Zaal (Kennedy Van der Laan). Cassatie-advocaten van Stoelinga zijn Hans van Wijk en Sikke Kingma (Pels Rijcken).