Nederland veroordeeld door EHRM voor schenden brongeheim journalist (Voskuil)

Vonnis van het Europese Hof van de Rechten van de Mens van 22 november 2007

In 2000 gelastte het Amsterdamse Hof in het beruchte proces tegen Mink K. de gijzeling van Koen Voskuil, een journalist van Sp!ts, om hem te dwingen de identiteit van zijn bron te onthullen, wat hij weigerde. Na zijn vrijlating diende Voskuil een klacht in tegen de Nederlandse Staat bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Op 22 november 2007 werd het langverwachte vonnis uitgesproken.

De feiten

In maart 2000 bevond de rechtbank te Amsterdam drie verdachten, waaronder Mink K, schuldig aan wapenhandel. De Amsterdamse politie had in de strafzaak verklaard dat bij toeval een wapenarsenaal was gevonden: de huismeester van een gebouw aan de Nachtwachtlaan in Amsterdam had contact met de politie opgenomen toen er water lekte uit een van de flats in het gebouw, waarvan de bewoners niet aanwezig waren. Met de hulp van twee slotenmakers had de politie toegang verkregen tot de flat en tijdens de daaropvolgende zoektocht naar de bron van het lek werden de wapens gevonden. De verdachten gingen tegen het vonnis van de rechtbank in beroep.

Op 12 en 13 september 2000 publiceerde Sp!ts twee artikelen geschreven door de journalist Koen Voskuil, waarin twijfels werden geuit over de mate van toevalligheid die bij het vinden van de wapens. Het artikel van 13 september 2000 citeert een niet bij naam genoemde politieman van het Amsterdamse korps die zijn commentaar op de wateroverlast geeft: “Dat hebben we er maar van gemaakt. Soms heb je net even een doorbraak nodig in je onderzoek”.

Voskuil werd vervolgens in hoger beroep opgeroepen om op 22 september 2000 als getuige à decharge te verschijnen. Toen hem werd gevraagd de identiteit van zijn bron te onthullen beriep hij zich op zijn verschoningsrecht. Na beraad overwoog het Hof dat als de verklaring van de door Voskuil geciteerde politieman correct zou zijn, dit de veroordeling van de verdachten zou kunnen beïnvloeden en dat de verklaring ook invloed heeft op de integriteit van de politie en de gerechtelijke instanties. Het Hof oordeelde vervolgens dat de belangen van de verdachten en die van de integriteit van de politie en de gerechtelijke instanties zwaarder wogen dan de belangen van Voskuil om de identiteit van zijn bron niet te hoeven onthullen. Voskuil bleef echter zwijgen, waarna het Hof zijn onmiddellijke gijzeling voor maximaal 30 dagen beval.

Tijdens de volgende zitting op 9 oktober 2000 weigerde Voskuil opnieuw om de identiteit van zijn bron te onthullen, waarna het Hof besloot om het bevel tot zijn bewaring op te heffen. Het Hof overwoog dat om een aantal redenen het artikel van Voskuil onaannemelijk was. In het licht daarvan diende de gijzeling van Voskuil niet langer een doel. Op 30 oktober werd de strafprocedure voortgezet en het Hof hoorde Voskuil, zeven andere journalisten die vergelijkbare artikelen had gepubliceerd, twee loodgieters en een huismeester als getuigen.

Zoals gezegd diende Voskuil na zijn vrijlating een klacht in tegen de Nederlandse Staat bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens.

Het arrest

Het Hof overweegt dat het vast staat dat er in Voskuils recht onder artikel 10 van het Verdrag is ingegrepen. De vraag is of dit ingrijpen beschouwd zou kunnen worden als “noodzakelijk in een democratische maatschappij”, zoals artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden voorschrijft.

Voorafgaand aan de beantwoording van deze vraag benadrukt het Hof het belang van persvrijheid: “Sinds 1985 heeft het Hof herhaaldelijk de taak van de pers als informatieleverancier en “openbare waakhond” genoemd. Bescherming van journalistieke bronnen is een van de basisvoorwaarden voor persvrijheid, zoals in verschillende internationale instrumenten wordt erkend en weergegeven. Zonder een dergelijke bescherming kunnen bronnen worden afgeschrikt de pers te helpen bij het informeren van het publiek over zaken van algemeen belang. Daardoor kan de vitale rol als publieke waakhond van de pers worden ondermijnd en kan het vermogen van de pers om accurate en betrouwbare informatie te verschaffen negatief worden beïnvloed. Gelet op het belang van de bescherming van journalistieke bronnen voor de persvrijheid in een democratische samenleving en de mogelijk afschrikwekkende werking die een bevel tot het onthullen van een bron heeft op de uitoefening van die vrijheid, kan een dergelijke maatregel niet verenigbaar zijn met artikel 10 van het Verdrag, tenzij dit wordt gerechtvaardigd door “an overriding requirement in the public interest”.

In de huidige zaak brengt de Nederlandse regering twee redenen naar voren waarom Voskuil zijn bron moet onthullen: ten eerste om een eerlijk proces voor de verdachten te waarborgen, en ten tweede om de integriteit van de Amsterdamse politie te bewaken. Het Hof vindt de eerste reden echter geen geldige reden. Het Amsterdamse Hof werd niet belet in het beoordelen van de gegrondheid van de feiten in de tenlastelegging tegen de drie verdachten; op de zitting van 30 oktober 2000 was het Hof blijkbaar in staat om het bewijs van andere getuigen te vervangen door dat wat het aan Voskuil had proberen te ontlokken. Met betrekking tot de tweede reden is het Hof van mening dat in een democratische rechtsstaat het gebruik van onbehoorlijke methoden door een publieke autoriteit precies een onderwerp is waarover het publiek het recht heeft geïnformeerd te worden.

In het bijzonder pijnlijk is de opmerking van het Hof dat het ontzet is over hoe ver de Nederlandse autoriteiten bereid waren te gaan de identiteit van de bron te weten te komen. Het Hof benadrukt dat zulke vergaande maatregelen mensen, die ware en correcte informatie hebben met betrekking tot een misstand, enkel kunnen ontmoedigen in toekomstige zaken naar voren te komen en deze kennis met de pers te delen.

Het Hof vindt het belang van de regering de identiteit van de bron te achterhalen onvoldoende om Voskuils belang om die identiteit te verbergen terzijde te schuiven. Het Hof concludeert dat er een schending is van artikel 10 van het Verdrag. Verder oordeelt het Hof dat de Nederlandse Staat artikel 5 van het Verdrag (het recht op vrijheid en veiligheid) had geschonden omdat de wettelijk voorgeschreven gijzelingsprocedure niet was gevolgd.

Wettelijke regeling verschoningsrecht journalisten

De Nederlandse Vereniging voor Journalisten (NVJ) bepleit al jaren een wettelijk verschoningsrecht voor journalisten. Begin 2007 was Minister van Justitie Hirsch Ballin daar nog geen voorstander van omdat hij vond dat een wettelijke regeling niets zou toevoegen aan de huidige juridische praktijk. Inmiddels is hij van mening veranderd en heeft hij aangekondigd het verschoningsrecht voor journalisten toch wettelijk te willen vastleggen. Voor een opinie over dit onderwerp verwijs ik naar dit opiniestuk gepubliceerd in de NRC van 6 december 2007 van collega Jens van den Brink en Volkskrant-journalist Jeroen Trommelen.