Geen rectificatie terrorisme-rapport vanwege parlementaire immuniteit

De Nationaal Coördinator Terrorisme en Veiligheid (“NCTV”) is een onderdeel van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. De NCTV stelt een paar keer per jaar het ‘Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland’ op, waarmee de minister de Tweede Kamer informeert over dit onderwerp. Het Dreigingsbeeld wordt daarnaast gepubliceerd, onder meer op de site van de Rijksoverheid. In de 53e editie van het Dreigingsbeeld wordt verwezen naar de Stichting Muslim Rights Watch Nederland in de context van salafisme in Nederland. De Stichting eist in kort geding rectificatie en een uitingsverbodmaar vangt echter bot bij de voorzieningenrechter om een bijzondere reden.

Artikel 71 Grondwet beschermt onder meer ministers tegen vervolging en aanspraken op grond van uitingen die zij in de Staten-Generaal hebben gedaan (de parlementaire immuniteit). De Staat beroept zich hierop. De voorzieningenrechter volgt dit beroep omdat het Dreigingsbeeld naar zijn oordeel een document is waarmee de minister de Kamer informeert. Daarbij past een kort college over de parlementaire immuniteit in het vonnis:

Deze parlementaire immuniteit strekt er toe aan de deelnemers van het parlementaire debat, waaronder de minister, een optimale uitingsvrijheid te geven bij de schriftelijke of mondelinge uitwisseling van gedachten en standpunten, zonder dat zij hoeven te vrezen dat zij strafrechtelijk worden vervolgd of – zoals hier – civielrechtelijk worden aangesproken vanwege hun uitlatingen. Zij moeten zich in het parlementaire debat kunnen uiten in de wetenschap dat een controle op de geoorloofdheid van hun uitlatingen niet bij de rechter berust. Het is aan de voorzitter van de Eerste Kamer respectievelijk Tweede Kamer om controle uit te oefenen over hetgeen gezegd en geschreven wordt in het parlementair debat.

4.3. Rechterlijke toetsing van parlementaire uitingen is ook niet te verenigen met de op de Grondwet berustende bevoegdheidsverdeling van de verschillende staatsorganen, die – kort gezegd – inhoudt dat de rechter zich niet mengt in het parlementair debat. Uit deze bevoegdheidsverdeling vloeit niet alleen voort dat de rechter zich niet mengt of ingrijpt in het wetgevingsproces, maar ook dat de rechter niet oordeelt over in het parlement gedane uitingen van bewindslieden en Kamerleden.”

Dat wil niet zeggen dat er geen enkele manier is om de minister aan te spreken op dergelijke uitingen. Omdat het hier gaat om het handelen van de Staat, moet dit handelen in lijn zijn met de normen die het EVRM stelt, en in het bijzonder met artikel 8 en 10/11 EVRM (recht op o.a. eer en goede naam en vrijheid van meningsuiting/vrijheid van vereniging).

Noch de Stichting, noch de twee andere eisers (betrokkenen bij de Stichting) hebben gesteld dat er sprake zou zijn van een schending van artikel 8 EVRM. De voorzieningenrechter oordeelt dan ook dat er geen sprake is van een dergelijke schending, temeer omdat de namen van de twee betrokkenen niet worden genoemd en omdat de drempel hiervoor hoog is:

Aan artikel 8 EVRM kan alleen in bijzondere gevallen bescherming van de eer en goede naam worden ontleend. Er moet sprake zijn van een negatieve uitlating die een bepaalde ‘grens van serieusheid’ overschrijdt, als gevolg waarvan afbreuk wordt gedaan aan persoonlijk genot van het recht op respect voor privéleven.

Vervolgens overweegt de voorzieningenrechter dat artikel 10 en 11 EVRM geen bescherming bieden tegen ‘negatieve uitlatingen van derden’. Alleen daarop stranden die stellingen al. Bovendien zou er in elk geval geen sprake zijn van een noodzaak om in te grijpen in het handelen van de Staat, omdat het door artikel 71 Grondwet beschermde belang zo groot is dat ingrijpen daarin vrijwel ondenkbaar is:

De voorzieningenrechter is van oordeel dat een toets aan lid 2 van artikel 8, 10 en/of 11 EVRM in dit geval zou opleveren dat een eventuele inbreuk op de in die artikelen gewaarborgde rechten gezien het bepaalde in artikel 71 Gw wordt gelegitimeerd. Immers, het door artikel 71 Gw gewaarborgde systeem van de scheiding van de machten is van zodanig gewicht, dat deze fundamenteel is voor een democratische samenleving. De daaruit voortvloeiende vrijheid van gedachtewisseling in het parlementaire proces brengt mee dat daarin geen plaats is voor rechterlijke bemoeienis. De gestelde inbreuk op de artikelen 8, 10 en/of 11 EVRM weegt daar niet tegen op.”