Kort geding uitspraak Eindhovens Dagblad: Online archief krijgt voorrang boven privacy

eindhovens-dagblad

De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft bepaald dat het Eindhovens Dagblad een voor een ex-werkneemster van de TU Eindhoven schadelijk artikel niet uit haar online archief  hoeft te verwijderen, zo blijkt uit dit vonnis van 19 februari 2010, met dank aan Henk Blanken. De ex-werkneemster, laten we haar even X noemen, had geklaagd over een artikel op de website van de krant, waarin stond dat zij wegens een ‘gevoelige personele kwestie’ door de universiteit op non-actief was gesteld. Bij het artikel stond ook een foto van haar.

De klacht die in dit soort gevallen meestal klinkt, werd ook hier aangevoerd. Als mevrouw solliciteerde kwam bij Google het artikel in het Eindhovens Dagblad (ED) op, en dat belemmerde haar bij het vinden van een nieuwe baan. Bovendien was het artikel achterhaald, omdat het non-actief stellen later is omgezet in buitengewoon verlof en vervolgens in eervol ontslag. Ze vorderde van het ED dat het artikel uit het online archief van de krant zou worden verwijderd. Het ED verwijdert wel de foto, maar laat het bericht staan.

Volgens de rechter was het artikel bij eerste publicatie niet onrechtmatig omdat het feitelijk klopte. Het ED had vooraf nog gebeld om het bericht te verifiëren met de persvoorlichter van de TU. Als die situatie later is gewijzigd, was het aan X afspraken te maken met de TU over een rehabilitatietekst. Dat is kennelijk niet gebeurd. Het ED liet weten dat zij deze juridische finesses over de precieze ontslagtitel ook onvoldoende interessant voor publicatie zou hebben gevonden. Het nieuwswaardige zat in het feit dat zij om onduidelijke redenen (wegens een ‘gevoelige personele kwestie’ ) van haar taken was ontheven. En dat bleef zo.

Het opnemen in het online archief is volgens de rechter niet hetzelfde als een nieuwe publicatie. Zo’n soort vraag is vorig jaar ook voorgelegd aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Times/Verenigd Koninkrijk, hier besproken op Media Report (en zie ook helemaal onderaan in dit bericht). Jammer genoeg is die vraag toen niet beantwoord, dus daar hebben we niet bijzonder veel aan.

Dat mevrouw X schade leidt door de online publicatie is onvoldoende om het ED te bevelen het artikel te verwijderen van haar website. Dat zou betekenen dat de krant haar archief telkens zou moeten aanpassen als iemand schade stelt te ondervinden van een publicatie. Het archief zou bovendien niet meer compleet zijn, aldus de rechter.

Gek genoeg eindigt de uitspraak met de opmerking dat mevrouw X ook geen aanvulling of rectificatie bij het artikel heeft laten plaatsen, en de vorderingen “onder die omstandigheden” worden afgewezen. Gek, omdat het ED uitdrukkelijk heeft gezegd, en naar mijn mening terecht, dat zij zo’n aanvulling onvoldoende interessant zou vinden voor publicatie. Het zou mooi zijn geweest als de rechter dat mee zou hebben genomen in het vonnis.

Na een eerdere uitspraak van de Raad voor de Journalistiek over dit onderwerp, is dit het eerste (gepubliceerde) gerechtelijk vonnis over dit vraagstuk, waar media steeds vaker mee geconfronteerd worden. Het gaat wel nog om een voorlopige maatregel (in kort geding). Voor de rechtbank Amsterdam lopen nu ook twee bodemprocedures (tegen de Volkskrant en de VPRO) over hetzelfde onderwerp. Die zaken staan medio maart voor vonnis. Daarover later meer op Media Report.

 

——————————————————————————————————————————————————————————————-

 

Het dilemma over online archieven dat hier speelt heb ik eerder al omschreven in de Kroniek Persrecht 2006-2009 (gepubliceerd in Mediaforum). Hier het relevante fragment:

De online ontsluiting van archieven betekent dat mensen zich opeens geconfronteerd zien met spoken uit het verleden. Bleven die vroeger achter in een vergeeld krantenarchief, of hoogstens op een diaframe en later misschien op een cd-rom, tegenwoordig staat alles online. En belangrijker, Google heeft ervoor gezorgd dat ook oude artikelen online goed vindbaar zijn. Media worden meer en meer geconfronteerd met verzoeken om oude berichten te verwijderen die op zich rechtmatig zijn, of dat in ieder geval waren ten tijde van de eerste publicatie, maar wel negatieve of privacygevoelige berichten over iemand bevatten.

Vaak gehoorde klacht is dat de voortdurende online publicatie iemand belemmert, bijvoorbeeld in het vinden van een baan omdat werkgevers sollicitanten googelen en dan stuiten op die negatieve berichtgeving.
Iedereen kan er waarschijnlijk begrip voor opbrengen dat iemand die negatief in de media staat 5 of 10 jaar na de eerste publicatie denkt ‘nu is het wel eens leuk geweest’. Het argument is dan eigenlijk dat de vrijheid van meningsuiting op een gegeven moment is ‘opgebruikt’. De balans tussen uitingsvrijheid en de bescherming van iemands privacy slaat na al die jaren uit naar de kant van de privacy. Het artikel heeft zijn actualiteitswaarde waarschijnlijk verloren, het algemeen belang bij publicatie zal zijn verminderd. En is het nou echt zo’n moeite om het artikel in ieder geval te anonimiseren?

Vaak staan in de opgeslagen artikelen immers persoonsgegevens. Kan een beroep op de Wet Bescherming Persoonsgegevens (Wbp) dan helpen? Waarschijnlijk niet. De Wbp is [voor het grootste deel] niet van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens voor uitsluitend journalistieke doeleinden (artikel 3 lid 1 Wbp). Het College bescherming persoonsgegevens (CBP) heeft in oktober 2007 de Richtsnoeren ‘Publicatie van persoonsgegevens op internet’ gepubliceerd, waarin het CBP uitlegt wanneer de journalistieke exceptie volgens haar van toepassing is. Het is de vraag of de strenge interpretatie van het CBP de toets van het EHRM zou doorstaan. Zo vindt het CBP dat de exceptie niet meer geldt wanneer ‘een archief met journalistieke publicaties bijvoorbeeld voor commerciële doeleinden wordt geëxploiteerd’. Daarbij wordt verwezen naar een passage in de memorie van toelichting bij de Wbp. Die passage bevestigt de lezing van het CBP echter niet. Mogelijk beseft het CBP niet dat het gebruikelijk is dat media hun publicaties commercieel exploiteren door advertenties of door het afsluiten van abonnementen.

Volgens vaste rechtspraak van het EHRM doet de commerciële exploitatie van publicaties ook niet af aan de bescherming onder artikel 10 EVRM.
Tegenover het belang van het individu (het kan natuurlijk ook om de reputatie van een onderneming gaan) staat het belang dat de media en het publiek hebben bij integriteit van de archieven. Al in 2007 meldde de New York Times (NYT) ongeveer één verzoek per dag te krijgen om aanpassing van een artikel in het archief. De NYT weigert normaliter in te grijpen omdat het zou zijn ‘like airbrushing Trotsky out of the Kremlin picture‘. Deze vorm van geschiedvervalsing, om welke reden dan ook, kan afbreuk doen aan de reputatie van de media als integere en betrouwbare bron van nieuws.

En moeten media meewerken aan het schoonpoetsen van reputaties? Is dat eigenlijk wel nodig? Beseft het publiek niet dat mensen veranderen? En als een artikel wordt verwijderd uit het archief, is het dan echt niet meer terug te vinden? Er kan altijd ergens een mirror staan. Zoekmachines zullen het bovendien nog een periode in cache hebben staan. En dan is er natuurlijk het kostenplaatje. Als de NYT inderdaad alle negatieve berichtgeving na verloop van tijd zou moeten anonimiseren en soms zelf verwijderen, dan zal dat hoge kosten betekenen.

Dit dilemma is bij ons weten nog niet geadresseerd door de Nederlandse rechter [update 23 februari 2010: inmiddels dus wel...]. Wel door de Raad voor de Journalistiek (RvdJ). In 1999 en 2001 plaatste het blad van de Universiteit Utrecht, het Ublad, artikelen waarin een student wordt geïnterviewd en onder meer staat: ‘M. C. [in het artikel stond zijn naam wel voluit], vrijbuiter: ‘Ik ben nu derdejaars student ‘natuurwetenschappen en bedrijf en bestuur. Als eerstejaars heb ik flink lol gemaakt en ben ik ook flink op mijn bek gegaan bij tentamens. ‘Sommige docenten maakten de hertentamens makkelijker omdat ze van je af wilden, bijvoorbeeld door het oude tentamen nogmaals te geven. Op die manier ben ik ongeveer vijf tentamens van erg saaie vakken voor samen twintig studiepunten gemazzeld.‘ Hoewel de student toendertijd toestemming had gegeven voor de publicatie meldde hij zich 5 jaar later bij het Ublad met het verzoek de artikelen offline te halen. Hij claimde als adviseur regelmatig negatief commentaar te krijgen van potentiële klanten die de artikelen via een zoekmachine hadden gevonden. Het Ublad weigerde en beriep zich op de betrouwbaarheid van haar archief. De RvdJ stelt, mede op extern advies, dat het belang van het Ublad voorgaat. Het Ublad hoeft de artikelen niet te anonimiseren. De pragmatische afweging dat het voor de media ondoenbaar en waarschijnlijk onbetaalbaar is om telkens artikelen te verwijderen en dat proces op journalistiek verantwoorde manier te begeleiden, speelt daarbij een belangrijke rol. Inmiddels heeft de RvdJ een nieuw artikel (2.2.8) toegevoegd aan haar Leidraad, waarin het uitgangspunt is vastgelegd dat het belang van zo volledig mogelijke, betrouwbare archieven voorop staat.

Ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft zich uitgelaten over online archieven. In Times/Verenigd Koninkrijk – hier besproken op Media Report-  ligt de vraag voor welke verjaringstermijn op internet mag worden toegepast. In het Verenigd Koninkrijk is dat de ‘internet publication rule‘, die inhoudt dat er elke keer wanneer toegang wordt verkregen tot de publicatie een nieuwe verjaringstermijn (in Engeland van één jaar) ontstaat. Dit in tegenstelling tot de ‘single publication rule’ uit het Amerikaanse recht, die uitgaat van een verjaringstermijn die begint op de datum van de eerste publicatie. Times vond dat toepassing van de internet publication rule een ontoelaatbare inbreuk opleverde op artikel 10 EVRM omdat dit media met internetarchieven blootstelt aan een oneindige aansprakelijkheid en zo een chilling effect heeft op de uitingsvrijheid.

Het EHRM vindt dat internetarchieven onder de bescherming van artikel 10 EVRM vallen en een ´critical aspect´ vormen in de rol van het internet ´in enhancing the public´s access to news and facilitating the dissemination of information generally´. Maar het EHRM onderscheidt archieven wel van de primaire ‘public watchdog‘ functie van de pers, die volgens het EHRM kennelijk verbonden is aan de actualiteit. Online archieven onderhouden is volgens het EHRM een ‘valuable secondary role’. De beoordelingsmarge van de lidstaten is dan ook groter als het gaat om ‘oud nieuws’ en ‘the duty of the press to act in accordance with the principles of responsible journalism by ensuring the accuracy of historical, rather than perishable, information published is likely to be more stringent in the absence of any urgency in publishing the material‘. Tenslotte zoekt het EHRM weer wat meer de balans door te overwegen dat wanneer iemand pas na een aanzienlijk tijdsverloop een procedure tegen een krant start, dit een ontoelaatbare beperking van de persvrijheid is, tenzij sprake is van uitzonderlijke omstandigheden.