Vonnis in zaak gijzeling NOS-journalist Robert Bas bevestigt journalistiek verschoningsrecht

Inmiddels is het vonnis gepubliceerd van de rechtbank Rotterdam waarin de gijzeling van NOS-journalist Robert Bas is beëindigd.

De rechtbank legt in een helder vonnis uit hoe het (wel) zit.

Namelijk, de wet op het brongeheim (artikel 218a Sv) staat niet op zichzelf, en moet worden uitgelegd in het licht van de jurisprudentie van het EHRM. En die jurisprudentie is duidelijk: ook als de bron al bekend is geldt het verschoningsrecht van de journalist. Dat recht is immers bedoeld om een ‘chilling effect’ te vermijden; bronnen moeten niet bang worden om journalisten te benaderen. En dat effect kan ook optreden als een bron al bekend is.

Artikel 218a Sv. lid 1 luidt:

Getuigen die als journalist of publicist in het kader van nieuwsgaring beschikken over gegevens van personen die deze gegevens ter openbaarmaking hebben verstrekt, kunnen zich verschonen van het beantwoorden van vragen over de herkomst van die gegevens.

En dan zegt de rechtbank dat zij “deze bepaling uitlegt met inachtneming van de rechtspraak van het EHRM over het journalistieke verschoningsrecht in relatie tot artikel 10 EVRM“. Iets wat de r.c. die tot gijzeling had bevolen had nagelaten, en iets dat strafrechters regelmatig nalaten, waardoor de codificering van het verschoningsrecht van journalisten averechts lijkt te werken. Beperkend, in  plaats van het geven van extra bescherming.

De rechtbank gaat verder:

Het verschoningsrecht is niet absoluut, maar is beperkt tot bronbescherming in het belang van de vrije nieuwsgaring. Het gaat daarbij niet alleen om de naam van de bron, maar ook om informatie over de feitelijke omstandigheden waaronder de journalist informatie van een bron heeft verkregen en de ongepubliceerde inhoud van de door de bron aan de journalist geleverde informatie. Dat in deze zaak relatief veel bekend is over de wijze waarop de journalist informatie heeft verkregen van de bron doet daar niet aan af. … Het verschoningsrecht geldt blijkens rechtspraak van het EHRM (in beginsel) ook voor bronnen die niet of niet langer anoniem zijn. Het omvat – voor zover hier van belang – ook en in het bijzonder het recht van de journalist om geen tekst en uitleg te hoeven geven over een door hem met een bron gevoerd gesprek.

Te beperkte uitleg van wat onder bronbescherming valt heeft, zoals het EHRM herhaalde malen benadrukt heeft, een afschrikwekkende werking op het delen van informatie door bronnen die anoniem willen blijven en is aldus een gevaar voor de vrije nieuwsgaring.

De journalist heeft bij de rechter-commissaris geweigerd de vraag te beantwoorden wat hij bedoelde met de opmerking ‘want die hele zaak gaat nu uit als een nachtkaars’. Gelet op het voorgaande valt de beantwoording van deze en soortgelijke vragen inderdaad onder het verschoningsrecht van artikel 218a lid 1 Sv.

De rechtbank vindt ook niet dat het verschoningsrecht moet wijken voor andere zwaarwegende belangen. “Het door de rechtbank op 22 februari 2019 aangenomen verdedigingsbelang bij het horen van de getuige acht de rechtbank hiervoor niet voldoende.” De rechtbank heft de gijzeling met onmiddellijke ingang op.