Gemeenteraadslid handelt niet onrechtmatig door het gebruik van de term ‘boevenclub’

Op 17 maart 2020 verschijnt in het Algemeen Dagblad een artikel over een brief die huurders (verschillende horecaondernemers) van het Rotterdamse Marcan Vastgoed hebben ontvangen over hun huurbetalingsverplichtingen. De brief wijst huurders op de “meerdere middelen die de overheid ter beschikking stelt om de gevolgen van het coronavirus in te dammen.”. De timing en de toon van de brief valt bij verschillende ondernemers niet in de smaak. Zo ook bij Tak, gemeenteraadslid in Rotterdam, die het artikel deelt op Twitter met daarbij de tekst:

Marcan Vastgoed de grootste boevenclub van @rotterdam. Vorig jaar heb ik samen met @ChantalZeegers en @diekevgroningen aan de gemeente [gevraagd] om in te grijpen bij asociale huurverhogingen. Nu knijpen ze ondernemers in nood uit. Echt walgelijk!”.

Na een soortgelijk artikel in de Telegraaf deelt Tak ook dit artikel op Twitter met de volgende tekst:

Vorig jaar nog kneep Marcan Vastgoed ondernemers uit en confronteerde zij hen met huurverhogingen van 100% of meer. Nu grijpen ze #Corona aan om ondernemers in MaHo onder druk te zetten. Marcan dreigt met boetes voor ondernemers die hun volledige omzet hebben zien wegvallen. Geen goed woord voor over. Vandaag roep ik in De Telegraaf op om Marcan uit te kopen. Wat mij betreft vertrekken ze zo snel mogelijk uit Rotterdam.

Marcan vindt dat de Twitterberichten kwalificeren als smaad en laster en start een kort geding waarin zij onder andere verwijdering van de Twitterberichten en een rectificatie vordert.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de bedrijfsvoering van Marcan niet onopgemerkt is gebleven en onderwerp is van publiek debat. Hierbij neemt de rechter in overweging dat vanaf de zomer van 2018 in de media aandacht is besteed aan de opzegging door Marcan van verschillende huurovereenkomsten en dat de bedrijfsvoering van Marcan ook binnen de gemeente besproken is. Ook heeft Marcan volgens de voorzieningenrechter door de coronacrisis opnieuw aandacht gekregen op sociale media. Naar oordeel van de voorzieningenrechter stond het Tak “gelet ook op zijn rol als gemeenteraadslid, vrij om zijn mening over de handelwijze van Marcan op deze wijze te uiten, nu de bedrijfsvoering reeds onderwerp was van publiek en politiek debat en zowel Marcan als Tak daarin van elkaar afwijkende standpunten hadden ingenomen.” Volgens de voorzieningenrechter volgt uit de berichten van Tak duidelijk dat hij in lijn met zijn eerdere opvattingen opnieuw een positie inneemt in dit publieke debat en hierdoor een waardeoordeel geeft over de handelwijze van Marcan.

Verder oordeelt de voorzieningenrechter dat “Tak in zijn berichten de artikelen uit het Algemeen Dagblad en De Telegraaf deelt en in die artikelen de standpunten van Marcan en Tak helder uiteen zijn gezet.”. Ook oordeelt de voorzieningenrechter: “Hoewel de gekozen bewoordingen fel van aard zijn – en hoezeer met een neutralere woordkeuze eenzelfde boodschap afgegeven had kunnen worden – dient Marcan zich dit te laten welgevallen”. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat Marcan een relevante speler is op de Rotterdamse vastgoedmarkt en daarmee een zekere publieke rol inneemt. Tot slot oordeelt de voorzieningenrechter dat aannemelijk is “dat de door Tak gekozen bewoordingen door zijn volgers niet zonder meer letterlijk zullen worden begrepen. Nu uit de krantenberichten volgt dat Marcan en Tak andersluidende opvattingen hebben, zal het commentaar van Tak in die context worden gelezen. Aannemelijk is dat het woord “boevenclub” in meer overdrachtelijke zin zal worden opgevat.

De voorzieningenrechter concludeert dat het recht van Tak op vrijheid van meningsuiting zwaarder weegt dan het recht van Marcan op eer en goede naam en wijst de vorderingen van Marcan af.